Economie/Geschiedenis van het economisch denken: verschil tussen versies

bestand bestaat niet of niet meer
(bestand bestaat niet of niet meer)
 
 
===Economische theorie bij de Grieken===
Economie was bij de Grieken geen afzonderlijke discipline, maar maakte onderdeel uit van de algemene levensfilosofie en staatsleer, was ingebed in het volledige leven. Het heeft tot 1776 (publicatie van ''The Wealth of Nations'' van Adam Smith) geduurd voordat economie een zelfstandige wetenschap werd. <br>
 
In de Griekse samenleving functioneerde het marktmechanisme al volop. Er was een ingewikkelde keten van nijverheidstakken, wereldwijde handel en concurrentie, conjunctuurschommelingen en crises. Geld werd gebruikt als ruilmiddel, voor leningen (met rente) en als oppotmiddel.<ref>Ontleend aan Klever, p. 71</ref> Grieken propageerden evenwicht, maat houden, zich richten op het mogelijke en zich tevreden stellen met wat beschikbaar is, zijn ogen niet richten op dingen die niet nodig zijn. Orde, harmonie en proportie waren belangrijk.<br>
|}
 
In de Middeleeuwen waren economische uitspraken normatief van aard, d.w.z. dat werd aangegeven hoe mensen behoorden te handelen. De maatstaf was de christelijke ethiek, de leidraad was de Bijbel aangevuld met de geschriften van de [[w:Kerkvader|kerkvaders]]. Het ging bijvoorbeeld om rechtvaardige prijzen, verwerping van hebzucht, al of geen rente rekenen bij het uitlenen van geld en voldoende middelen verwerven om te kunnen leven naar je stand. <br>
In de Late Middeleeuwen kwamen er andere ideeën en verschenen de eerste economische geschriften:
 
* De franciscaner filosoof <u>Ricardus de Media(villa)</u> (1249-1307): Ruil kan voordelig zijn voor beide partijen indien er ongelijke ruilverhoudingen zijn. Bijvoorbeeld: land A produceert veel graan, maar weinig wijn. De wijnprijs zal er hoog zijn, de graanprijs laag. In land B is het net andersom. Een koopman koopt graan in A en verkoopt het in B. Hij koopt wijn in B en verkoopt die weer in A. De kopers van respectievelijk graan in B en wijn in A worden niet benadeeld. De koopman maakt toch winst.
* De Franse theoloog <u>[[w:Nicolaas_van_Oresme|Nicola Oresmius]]</u> (of Oresme; 1325-1382) schreef de eerste geschriften die uitsluitend over economische problemen handelen, over muntgeld: ''De Moneta'' (±1350) en ''Traicté de la première invention des monoies'' (±1360).
* De Italiaanse wiskundige <u>[[w:Luca_Pacioli |Luca Pacioli]]</u> (1445-1517) was het brein achter het dubbel-boekhouden. Het systeem was in de 15e eeuw in de buurt van Venetië ontstaan. Pacioli heeft er een systeem met vaste regels van gemaakt<ref>Ontleend aan: Brein achter dubbel boekhouden herdacht. - In: ''Intermediair'' van 10 juni 1994, p. 45.</ref> dat hij opnam in zijn ''Summa de arithmetica, geometria, proportioni et proportionalita''.<ref>Zie [httphttps://www-groups.dcs.st-andrews.ac.uk/~history/Biographies/Pacioli.html|Zie httphttps://www-groups.dcs.st-andrews.ac.uk/~history/Biographies/Pacioli.html]</ref>
 
===1500-1700 (algemeen)===
|}
 
Vanaf de 16e eeuw werd het maatschappelijk leven niet langer beschouwd als een onderdeel van de theologie, maar het werd nu als afzonderlijk kennisgebied onderzocht. Hiervóór was de economie voornamelijk lokaal ingericht: stad met omliggende landbouwgebied (zie het hoofdstuk [[Economie/Geschiedenis_van_het_economisch_leven#Stadshuishouding|Geschiedenis van het economisch leven]]). Met het ontstaan van grotere vorstendommen en staten begon een zoektocht naar de beste manier om de economie voor landen en staten in te richten: vrijheid blijheid of in sterke mate door de staat gestuurd? Dit was ook een tijd van oorlogen, waarvoor vorsten veel geld nodig hadden. Om die te kunnen bekostigen richtte een vorst zich op het verrijken van zijn staat, ten koste van andere staten. Zijn raadgevers en geleerden probeerden inzicht te krijgen in het feitelijk economisch gebeuren via statistisch onderzoek. <br>
 
'''Enkele belangrijke ideeën:'''
* De Schotse econoom <u>[[w:James_Steuart|James Steuart]]</u> (1712-1780); hij markeerde de overgang naar de Klassieke economen. Zijn I''nquiry into the Principles of Political Economy'' (1767) was het eerste systematische werk over economie in de Engelse taal. Als voorloper van de Klassieken benoemde hij eigenbelang al als uitgangspunt voor economische ontwikkeling, wilde hij een surplus produceren en was hij tegenstander van protectie. Maar hij was ook nog Mercantilist in de vele taken die hij de overheid toebedeelde.<br>
[[Bestand:Johann_Joachim_Becher._Line_engraving_by_W._P._Kilian,_1675._Wellcome_V0000426.jpg|alt=|miniatuur|140px|Johann Joachim Becher]]
De Duitse en Oostenrijkse variant van het Mercantilisme heette '''Kameralisme'''. De Kameralisten waren ambtenaren die toegang hadden tot de raadskamer van de vorst. Zij adviseerden de vorst, o.a. over manieren om de schatkist te vullen en andere economische aangelegenheden. De regering zou het belang van de bevolking moeten dienen, zodanig dat de onderdanen in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. Anderzijds zou het volledige productiepotentieel van zowel fysiek als menslijk kapitaal benut moeten worden om zoveel mogelijk goud en zilver te vergaren voor de vorst. <br>
 
Tot de Kameralisten behoorden:
<br>
==Mainstream: de Klassieken en hun opvolgers==
Mainstream wil hier zeggen: de dominante theorie van de Klassieke economen en hun opvolgers, die door vele economen uit die tijd en de eeuwen daarna als waarheid werd geaccepteerd en die zij verder ontwikkelden. Na deze paragraaf komen de andersdenkende economen aan bod. De scheidslijn ligt bij het afwijzen (Klassieken) of aanbevelen (overigen) van overheidsingrijpen in de economie, die grosso modo overeenkomt met die tussen de Angelsaksische en Rijnlandse varianten van het kapitalisme die in het hoofdstuk [[Economie/Economische_orde#Prototypen_van_het_kapitalisme|Economische orde]] aan bod zijn geweest. Wel is er over-en-weer beïnvloeding geweest en hebben economen in hun theorieën onderdelen van het "andere kamp" overgenomen. <br>
 
Voor veel economen begint de economische wetenschap bij de '''[[w:Klassieke_economie|Klassieken]]'''. In feite beschreven de Klassieke economen het kapitalistische systeem en maakten zij het acceptabel voor de Westerse wereld. Het startpunt ervan was de publicatie van ''The wealth of nations'' van Adam Smith in 1776.
===De Klassieken===
[[Bestand:AdamSmith1790b.jpg|alt=|miniatuur|297x297px|Adam Smith (getekend in 1790)]]
De klassieke economen waren sterke voorstanders van ieders persoonlijke vrijheid om de eigen belangen te behartigen. Zij richtten zich op lange-termijnontwikkelingen. Het sturend mechanisme bij de Klassieken is het streven naar maximale winst door kapitaalbezitters. Zij investeren hun kapitaal in [[Economie/Verklarende_woordenlijst#K|kapitaalgoederen]], maken daarmee producten en scheppen zo vraag naar productiemiddelen (incl. arbeid). De productie levert (aanbod van) producten op. De beloning van de productiefactoren (lonen, rente, pachten, winsten) schept vraag naar producten, want die inkomsten worden voor het grootste deel weer uitgegeven. De vrije markt zorgt ervoor dat vraag en aanbod in evenwicht zijn via concurrentie en het prijsmechanisme. <br>
 
'''Belangrijke vertegenwoordigers:'''
 
===[[w:Grensnutschool|Marginalisten]] & [[w:Oostenrijkse_school|Oostenrijkse school]]===
'''Marginalisten''' voerden wiskundige analyses uit op zeer kleine veranderingen van economische grootheden zoals nut, kosten, productie, productiviteit en opbrengsten. Hoe veranderen de kosten en de opbrengsten als er één eenheid meer wordt geproduceerd en verkocht? Zij noemden de kosten van zo'n extra eenheid de '''marginale kosten''' en de opbrengsten ervan de '''marginale opbrengsten'''. Ze bestudeerden onder andere de afweging tussen marginale baten en kosten. Ze hadden dus een micro-economische benadering (in tegenstelling tot de Klassieken, die meer macro-economisch waren gericht). <br>
Hoeveel meer nut biedt nog een extra product? Dit noemden ze het '''grensnut'''. Zij stelden dat de waarde van een goed wordt bepaald door het grensnut, d.w.z. het nut dat een eco¬nomisch subject toekent aan de laatste toegevoegde eenheid. Deze leer wordt ook wel de [[w:Subjectieve_waardetheorie|subjectieve waardeleer]] genoemd. Zo verlegden ze de focus van de productie (zoals de Klassieken) naar de consumptie.<br>
Nauw verwant aan de Marginalisten was de '''Oostenrijkse school'''. Ook bij deze school staan de concepten grensnut en de subjectieve waardetheorie centraal. Maar de leden ervan hadden een afkeer van wiskundige modellen.
* De Franse econoom <u>[[w:Léon_Walras| Léon Walras]]</u> (1834-1910) in 1874: ''Éléments d'économie politique pure: théorie de la richesse sociale''. Hij legde daarin bovendien de basis voor de theorie van algemeen evenwicht. Hij verklaarde de samenhang tussen vraag, aanbod en prijzen in een groot aantal markten aan de hand van een wiskundig stelsel van algebraïsche vergelijkingen. De '''Wet van Walras''' luidt: ''Wanneer men één bepaalde markt beschouwt èn alle andere markten in de economie in evenwicht zijn, dan moet ook deze specifieke markt in evenwicht zijn.'' Toelichting: dit geldt alleen in een gesloten economie. Daar is immers het totaal van de ontvangsten van de ene groep gelijk aan het totaal van de bestedingen van een andere groep. Het totaal moet daarom in evenwicht zijn.
 
<!-- [[Bestand:100_Schilling_Eugen_Boehm_von_Bawerk_obverse.jpg|alt=|miniatuur|200x200px|100 Schilling-biljet met Eugen von Böhm-Bawerk]] -->
<br>
'''Hun opvolgers'''<br>
 
=== [[w:Neoklassieke_economie|Neoklassieken]]===
Neoklassieken (incl. Marginalisten) wilden de economische theorie naar een hoger plan trekken door er een wiskundige en wetenschappelijke fundering onder te leggen. <br>
De Neoklassieken bestudeerden de allocatie van productiemiddelen. Ze bouwden de markttheorie van de Marginalisten uit, met rente-, kapitaal- en inkomensverdelingtheorieën. Hun uitgangspunten waren:
# Alles wat er in de economie gebeurt, is te verklaren uit het gedrag van individuen (producenten, consumenten, spaarders).
 
* De Britse econoom <u>[[w:John_Maynard_Keynes|John Maynard Keynes]]</u> (1883-1946) verschafte een verklaring èn een oplossing voor de wereldwijde economische crisis van de jaren '30 en werd daarmee de belangrijkste econoom van de 20e eeuw. Zijn hoofdwerk ''The General Theory of Employment, Interest and Money'' (meestal afgekort tot ''The General Theory'') verscheen in 1936. Het bevatte o.a. de drie motieven om geld in kas te houden die in het hoofdstuk [[Economie/Monetaire_economie#Eenvoudig_model_voor_de_geldhoeveelheid|Monetaire economie]] zijn overgenomen. Maar zijn grote bekendheid dankte hij aan zijn macro-economische theorie. Volgens Keynes hoefden besparingen (S) en voorgenomen investeringen (I) niet gelijk te zijn, zoals eerdere economen veronderstelden. Als er teveel wordt gespaard, is er onderbesteding en te weinig consumptie (C). Als er te weinig wordt geïnvesteerd, zal er werkloosheid ontstaan, waardoor er nog minder wordt geconsumeerd. Hij constateerde dat een depressie die op zo'n situatie volgt, zo ernstig kan zijn, dat zij niet vanzelf overgaat, zoals de Neoklassieken volhielden; zij geloofden nog steeds in de 'onzichtbare hand' van Adam Smith. Ja, misschien op lange termijn. Maar een gevleugelde uitspraak van Keynes was: "''In the long run we are all dead''" (op de lange termijn zijn we allemaal dood). Keynes' oplossing: de overheid kan de economie uit een depressie verlossen door de bestedingen te stimuleren. Dat kan zij doen door TIJDELIJKE extra overheidsinvesteringen, totdat het systeem weer in evenwicht is. Ook kan zij de koopkracht van burgers vergroten door tijdelijke belastingverlaging. In beide gevallen geeft de overheid extra geld uit zonder extra belastingen te heffen, waardoor er een begrotingstekort ontstaat. Ook kan de inflatie oplopen en de import aantrekken (wat betekent dat er vraag weglekt naar het buitenland, wat niet de bedoeling is in zo'n situatie).<br>
:Vervolgens zijn overheden met zijn theorie aan de haal gegaan en hebben er vooral het stimuleren van de vraag uit gepikt om hun economieën op te krikken. Tussen 1945 en 1965 ontstond daardoor in het Westen de grootste economische hausse uit de geschiedenis. De voorwaarden van de theorie, zoals het tijdelijke karakter ervan en na een crisis tegenovergesteld beleid voeren van bezuinigen en sparen, hebben velen aan hun laars gelapt. Hierdoor kon er een soort permanente situatie van overheidstekorten, grote overheidsschulden en hoge inflatie ontstaan. <br>
 
'''Keynesianen'''<br>
* Geld is niet neutraal. Veranderingen in de geldhoeveelheid hebben invloed op de reële grootheden omdat dan de rentestand verandert, en daarmee investeringsbeslissingen worden beïnvloed, die weer van invloed zijn op het reële inkomen en de werkgelegenheid.<br>
[[File:HymanMinsky-1.jpg|thumb|Hyman Minsky]]
Kortom: anders dan de klassieken en neoklassieken dachten, is de economie een instabiel systeem, dat niet naar evenwicht tendeert; investeringen worden schoksgewijze gedaan, voortgedreven door technische vooruitgang en vooruitzicht op winsten. Overheidsingrijpen kan de wanorde enigszins bezweren. <br>
Belangrijke vertegenwoordigers:
* De Britse <u>[[w:Joan_Robinson|Joan Violet Robinson]]</u> (1903-1983) richtte zich op de lange-termijnaspecten van de Keynesiaanse theorie en introduceerde het concept [[Economie/Verklarende_woordenlijst#M|monopsonie]].
==Epiloog==
[[Bestand:"The_School_of_Athens"_by_Raffaello_Sanzio_da_Urbino.jpg|koppeling=Bestand:%22The_School_of_Athens%22_by_Raffaello_Sanzio_da_Urbino.jpg|alt=|geen|miniatuur|600x600px|"De school van Athene" (1509-1510) door Rafaël, in het Vaticaan]]
De geschiedenis van het economisch denken is als op het fresco ''[[w:De_school_van_Athene|De school van Athene]]'' van Rafaël: de éne econoom is idealistisch, de andere aardser, de één is filosofisch ingesteld, de ander houdt meer van empirisch onderzoek of wiskundige modellen. Ze lezen elkaars boeken en artikelen, ze schrijven en doceren, ze discussiëren met elkaar, soms begrijpen ze elkaar, maar ze zijn het zelden eens. Wetenschappelijk verantwoord betekent nog niet dat een theorie of model ook in de praktijk werkt, laat staan dat er invloed is op beleidsmakers. <br>
 
Alles overziende is de economische wetenschap een bolwerk van witte, Angelsaksische mannen, en af en toe mogen andere Westerlingen en enkele Russen meedoen, een enkele uitzondering daar gelaten (zoals mevrouw Joan Robinson en de Indiër Amartya Sen).<br><br>
==Van harte aanbevolen==
Voor een nadere algemene kennismaking:
* ''Economie! uitgelegd in woord en beeld door de grootste economen'' [vert. uit het Frans] / Benoist Simmat en Vincent Caut. - Bussum: Toth, 2016. - ISBN: 978 90 6868 700 2. Zie de website [httphttps://www.managementissues.com/index.php/globalisering/81-globalisering/922-de-grootste-economen managementissues.com] voor een uitgebreide samenvatting.
* ''De filosofen van het dagelijks brood'' / R.L. Heilbroner. - Groningen: Muusses. Vertaling van: ''The wordly philosophers''. Penguin Books London.
* De in de tekst opgenomen links naar de Nederlandse Wikipedia-pagina's van de vermelde economen en stromingen. Wie nòg meer informatie zoekt, kan in de regel terecht bij de Engelse, Duitse of Franse Wikipedia, afhankelijk van de nationaliteit van de econoom of stroming (kijk links onderin de Wikipedia-pagina's voor de rechtstreekse links).
* ''Politieke economie van Plato tot Marx'' / L.J. Zimmerman. - Groningen: Wolters-Noordhoff, 1987. ISBN: 9001984800. Leesniveau: voor 3e-jaars economie-studenten.
* ''Archeologie van de economie : de economische theorie in de Griekse oudheid'' / W.N.A. Klever. - Nijmegen, Markant, 1988 (3e druk). - ISBN: 90-6772-005-4. Leesniveau: 3e-jaars economie-studenten
* The History of Economic Thought op [httphttps://www.hetwebsite.net/het/index.htm HET] (Engels)
* De Engelse Wikipediapagina [https://en.wikipedia.org/wiki/List_of_economists List of economists]
 
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.