Het is zeer belangrijk om deze tekst niet te "scannen", maar wel om hem aandachtig en volledig te lezen !

Inleiding

bewerken

De basis van het leven zijn de vitale functies : ademhaling en hartwerking. Zij zijn de functies die we in de eerste plaats moeten controleren en eventueel overnemen. Dit noemen we de reanimatie.

Opmerking : de hieronder beschreven werkwijze is bedoeld voor reanimatie van een volwassene (vanaf 8 jaar) !

De veiligheid van jezelf en het slachtoffer

bewerken

Zie het vorige deel.

Controle van de reactie

bewerken

Een slachtoffer dat bewust is, ademt nog en heeft nog hartwerking. Iedere bewusteloze patiënt daarentegen verkeert in levensgevaar : hij/zij is immers de controle kwijt over tal van mechanismen en reacties. Deze patiënt beseft bijvoorbeeld niet meer dat de tong de luchtweg afsluit, hij zal geen braaksel kunnen uitspuwen of hij zal zijn hoofd niet boven water kunnen houden.

Nadat we de veiligheid van onszelf en die van het slachtoffer hebben verzekerd, controleren we of het slachtoffer bewust is :

  • Tik zachtjes op de schouders of schud met de schouders (NOOIT met het hoofd !).
  • Vraag rustig, maar luidop : "Is alles in orde ?".

Indien het slachtoffer hierop niet reageert, noemen we het "bewusteloos". Evenredig met de graad van bewusteloosheid, worden de spieren slapper. Zo ook de kaakspieren en de tongspier. Daardoor komt het voor dat de tong in de keelholte kan zakken en zo de luchtweg kan afsluiten : het slachtoffer stikt in zijn eigen tong.

Het slachtoffer reageert nog

bewerken

Onder reageren verstaan we :

  • Antwoorden (eventueel murmelen of stil praten).
  • Bewegen (vingers, mond, handen, ...).

In dien het slachtoffer beweegt of antwoordt :

  • Laat het slachtoffer liggen zoals het ligt (om ergere schade te voorkomen).
  • Stuur iemand weg om hulp te halen en vraag deze daarna weer terug te komen. Als je alleen bent kan je in een uiterst noodgeval zelf hulp gaan inroepen. Laat het slachtoffer echter niet te lang alleen !
  • Controleer op verwondingen.
  • Controleer regelmatig het bewustzijn door te praten.
  • Houd een sterk visueel en verbaal contact met het slachtoffer.

Het slachtoffer reageert niet

bewerken

Indien het slachtoffer niet reageert :

  • Roep onmiddellijk een persoon te hulp.
  • Als je het slachtoffer niet volledig kan beoordelen in de positie waarin het zich bevindt, draai het slachtoffer dan op de rug.
  • Breng het hoofd in hyperstrekking. Bij een bewusteloos slachtoffer kan de tong in de keelholte zakken en zo de luchtweg afsluiten. Door het hoofd achterover te houden en de kin naar voor te trekken, hebben we de tong omhoog, zodat de luchtweg vrij komt.
    • Plaats een hand op het voorhoofd en druk het hoofd zachtjes achterover (= hyperstrekking). Hou duim en wijsvinger vrij om bij mond-op-mondbeademing de neus dicht te drukken.
    • Verwijder zichtbare voorwerpen uit de mond van het slachtoffer. Draag hiervoor het liefst handschoenen of gebruik een zakdoek. Een loszittend gebit moet je verwijderen, een vast gebit moet je laten zitten.
    • Vloeistoffen (bv. water, braaksel, ...) kan je verwijderen door het hoofd van het slachtoffer weg te draaien, zodat de onderste mondhoek lager ligt dan de mondholte. Let op ! Indien een nekletsel wordt vermoed : wordt niet enkel het hoofd gedraaid, maar draait één persoon het slachtoffer helemaal, terwijl een tweede hulpverlener tijdens de draaibeweging het hoofd fixeert ten opzichte van het hele lichaam.
    • Licht de kin op met de vingertoppen onder de kin van het slachtoffer (= kinlift) om de luchtweg te openen.

Dit is vaak voldoende om de ademhaling terug op gang te brengen.

De ademhaling

bewerken
 
Een slachtoffer in stabiele zijligging brengen.

Controle van de ademhaling

bewerken

Terwijl je de luchtweg openhoudt : kijk, luister en voel naar de ademhaling (meer dan af en toe eens naar adem snakken of beperkte adempogingen).

  • Kijk naar de beweging van de borstkas.
  • Luister aan de mond naar ademgeluiden.
  • Voel met je wang naar de uitadem lucht.

Deze controle kunnen we in één handeling verrichten : houd je oor vlak boven het gezicht van het slachtoffer, terwijl je de hierboven beschreven hyperstrekking en kinlift behoudt en kijk naar de ademhalingsbewegingen van de borstkas. Zo kan je gelijktijdig zien, voelen en luisteren.

Kijk, luister en voel minimaal 10 seconden, alvorens je besluit dat de ademhaling normaal verloopt.

Als het slachtoffer ademt

bewerken

Indien het slachtoffer ademt, leg hem of haar dan in de stabiele zijligging :

  • Zet de bril van het slachtoffer af.
  • Verwijder grote voorwerpen (GSM, sleutelbos, ...) van het slachtoffer.
  • Kniel naast het slachtoffer en zorg er voor dat beide benen recht liggen.
  • Plaats de arm aan jouw kant naar boven in een rechte hoek ten opzichte van het lichaam, de elleboog geplooid, de handpalm opwaarts.
  • Trek de verst verwijderde arm over de borst en houd de rugzijde van het hang tegen de dichtstbijzijnde wang van het slachtoffer.
  • Grijp met je andere hand het been aan de overzijde, net boven de knie. Trek dit omhoog (het been zal nu plooien) en de voet blijft op de grond.
  • Trek aan het been terwijl je de hand van het slachtoffer tegen de wang gedrukt houdt. Draai het slachtoffer voorzichtig naar je toe op zijn zij.
  • Plaats het bovenste been zo dat de heup en de knie in een rechte hoek opgetrokken liggen.
  • Kantel het hoofd achterover en zorg dat de luchtweg vrij blijft.
  • Verplaats zo nodig de hand onder de wang om het hoofd achterover gekanteld te houden.

Het slachtoffer ligt nu behoorlijk veilig, maar niet voor lang :

  • Stuur onmiddellijk iemand om hulp, of, als je alleen bent, laat het slachtoffer dan alleen en roep hulp in.
  • Blijf zeer frequent de ademhaling controleren.
  • Als het slachtoffer meer dan 30 minuten in de zijligging ligt, draai hem dan op zijn andere zijde.

Als het slachtoffer niet ademt

bewerken
 
De mond-op-mondbeademing.

Als het slachtoffer niet ademt (dat wil zeggen : je voelt geen uitgeademde lucht, er is geen beweging van de borstkas, ...), laat dan onmiddellijk de hulpdiensten alarmeren en laat erbij vermelden dat je de reanimatie start. Indien je alleen bent laat je het slachtoffer alleen en vraag om hulp. Keer dan terug naar het slachtoffer en start de reanimatie :

  • Draai het slachtoffer op de rug als dit nog niet het geval is.
  • Beadem 2 maal traag, zodat de borstkas telkens omhoog komt en terugzakt :
    • Voer de hyperstrekking en de kinlift uit.
    • Knijp het zachte deel van de neus dicht met duim en wijsvinger van de hand die je op het voorhoofd van het slachtoffer plaatst.
    • Open de mond van het slachtoffer een beetje, maar behoud de kinlift.
    • Adem diep en sluit je lippen over de mond van het slachtoffer, waarbij je de mond goed afsluit.
    • Blaas rustig lucht in de mond van het slachtoffer, terwijl je naar de beweging van de borstkas kijkt. Dit doe je in ongeveer 2 seconden, zoals bij een normale ademhaling.
    • Behoud de hyperstrekking en de kinlift, neemt je mond weg van het slachtoffer en kijk naar de borstkas, zodat je die weer terug tot zijn normale positie ziet zakken.
  • Adem in en herhaal deze werkwijze zodat je in totaal tweemaal effectief beademt.

Als je problemen hebt om te beademen (de borstkas komt niet omhoog) :

  • Controleer opnieuw de mondholte van het slachtoffer en verwijder vreemde voorwerpen.
  • Zorg voor een goede hyperstrekking en kinlift.
  • Doe minimaal 5 pogingen om te beademen, met als doel zeker 2 effectieve beademingen uit te voeren.
  • Indien dit niet lukt, ga je door met de controle van de hartwerking.

De hartwerking

bewerken
 
Controle van de hartwerking.

Controle van de hartwerking

bewerken

Kijk, luister en voel opnieuw of er normale ademhaling aanwezig is, of het slachtoffer nog beweegt of hoest.

Er zijn tekenen van hartwerking

bewerken

Indien je DUIDELIJKE tekens ziet en voelt van hartwerking :

  • Voer de mond-op-mondbeademing uit tot het slachtoffer terug spontaan ademt.
  • Telkens na ongeveer 10 beademingen (of ongeveer elke minuut) controleer je naar tekens van de ademhaling en hartwerking. Doe dit minimum 10 seconden en maximum 15 seconden.
  • Als het slachtoffer spontaan begint te ademen, maar bewusteloos blijft, draai het dan in zijligging. Controleer zijn toestand en hou je klaar om het slachtoffer terug op de rug te draaien en te beademen indien het stopt met ademen.

Er zijn geen tekenen van hartwerking

bewerken

Neem steeds het zekere voor het onzekere : indien je geen hartwerking ziet of voelt, of je bent onzeker, MOET je met de hartmassage starten :

  • Bepaal met de hand die het kortst bij het voeteneinde van het slachtoffer is de plaats van de onderste helft van het borstbeen :
    • Volg met de wijs- en middenvinger de ribbenboog tot het punt waar de ribben het borstbeen raken. Plaats hier je middenvinger en plaats je wijsvinger op het borstbeen zelf.
    • Glijd met de hiel van de andere hand naar beneden over het borstbeen tot aan de wijsvinger : dit is de onderste helft van het borstbeen.
    • Laat de hiel van je hand hier staan en plaats je tweede hand bovenop de eerste.
    • Strek de vingers van beide handen uit of sla ze in elkaar (in elkaar haken) en trek zo de vingers omhoog om geen onnodige druk uit te oefenen op de ribben. Druk niet op de bovenbuik of het zwaardvormig aanhangsel.
    • Plaats jezelf loodrecht boven de borstkas van het slachtoffer en leun met gestrekte armen voorover zodat het borstbeen 4 à 5 cm wordt ingedrukt.
    • Richt jezelf op zonder het contact tussen de hand en het borstbeen te verliezen. Herhaal deze pompbeweging aan een snelheid van ongeveer 100 maal per minuut. Hardop tellen kan van nut zijn om het ritme te behouden. Indrukken en loslaten duurt even lang.
  • Combineer de beademing en de hartmassage :
    • Na 30 maal hartmassage, voer 2 beademingen uit.
    • Plaats je handen zonder tijdverlies op de juiste plaats op het borstbeen en voer 30 hartmassages uit. Voer verder hartmassage en beademing uit in de verhouding 30/2.
    • Je moet enkel stoppen als het slachtoffer beweegt of spontaan ademt. Anders wordt de reanimatie NIET onderbroken.

Verdere reanimatie

bewerken

Je moet blijven reanimeren totdat :

  • Gespecialiseerde hulp ter plaatse komt.
  • Het slachtoffer tekens van leven vertoont (hoesten, ademen, hartkloppingen, rochelen, bewegen, ...).
  • Je uitgeput raakt. Laat dan liever iemand anders de handelingen verder zetten.

Wanneer de hulpdiensten bellen ?

bewerken
 

Het hulpcentrum 112 moet zo vroeg mogelijk gebeld worden :

  • Als er meer dan één hulpverlener aanwezig is, start één hulpverlener de reanimatie terwijl een andere hulpverlener 112 alarmeert zodra is vastgesteld dat het slachtoffer niet ademt.
  • Als er slechts één hulpverlener aanwezig is, dan gaat die er bij ademhalingsstilstand vanuit dat er een hartprobleem is en zal die zelf de 112 alarmeren zodra deze ademhalingsstilstand vaststelt. Hij kan ook aan een omstander vragen 112 te bellen, maar moet dan wel vertellen aan de omstander wat hij moet zeggen, en dat hij de informatie van 112 terug moet koppelen.

In de volgende gevallen zal er eerst een minuut moeten worden gereanimeerd alvorens de 112 te bellen :

  • Letsels door een ongeval.
  • Verdrinking.
  • Verstikking.
  • Overdosis medicatie of alcohol.
  • Indien het slachtoffer een kind is (jonger dan 8 jaar).

Hoe jezelf beschermen ?

bewerken

In de handel zijn er beschermingsmiddelen verkrijgbaar om een slachtoffer te beademen zonder rechtstreeks contact. Een eenvoudig beschermingsmiddel is een beademingsscherm met een filter of eenrichtingsklep (terugslagklep). Dit bestaat in verschillende uitvoeringen, bijvoorbeeld verwerkt in een sleutelhanger of verpakt zoals verfrissingsdoekjes.

Het beademingsscherm wordt over het gezicht van het slachtoffer geplaatst. Bij de ene uitvoering wordt dit op zijn plaats gehouden door de plaatsing van de handen op het gezicht. Bij andere uitvoeringen moet je 2 elastiekje achter de oren van het slachtoffer vastmaken. Steeds komt de filter of de eenrichtingsklep ter hoogte van de mond van het slachtoffer. Je beademt dan door deze klep of filter.

Algemene opmerking betreffende reanimatie

bewerken
  • Indien mond-op-mondbeademing onmogelijk is door bijvoorbeeld kwetsuren aan de mond, dan kan men ook de mond-opneusbeademing toepassen. Hierbij drukt men de onderkaak tegen de bovenkaak en sluit men zo de mond. Men plaatst de eigen mond op de neus van het slachtoffer en blaast in.
  • Indien we geen lucht ingeblazen krijgen bij het slachtoffer of de borstkas komt niet omhoog bij de beademing, dan kan dit de volgende oorzaken hebben :
    • Onvoldoende hyperstrekking of kinlift : verbeter dan de positie van het hoofd.
    • Onvoldoende de mond afgesloten of de neus dichtgedrukt : afsluiting verbeteren door de mond-op-neusbeademing.
    • Vreemd voorwerp in de luchtpijp : we passen het Heimlichmanoeuvre toe (zie verder).
    • De patiënt heeft een luchtpijp opening ter hoogte van de hals (een tracheotomie : verbinding tussen de luchtpijp en de buitenlucht) : beadem langs deze opening.
    • Niet krachtig genoeg ingeblazen : blaas krachtiger, maar voldoende traag in (je blaast immers geen ballon op !).
  • Bij een hartstilstand is de kans op spontaan herstel van de hartactiviteit zonder voortgezette, gespecialiseerde hulp zeer gering. Daarom wordt er geen tijd verloren met het telkens controleren van het slachtoffer en blijft men verder reanimeren (hartmassage en mond-op-mondbeademing).
  • Een oppervlakkige ademhaling is te herkennen doordat er slechts een beperkte ademhalingsbeweging waar te nemen is ter hoogte van de overgang borstkas-buik. Noteer dat deze ademhaling zowel snel, normaal als traag kan zijn.
  • Als het slachtoffer tijdens de reanimatie braakt, dan is dat niet hoofdzakelijk een teken dat het slachtoffer bij bewustzijn komt. Het is immers mogelijk dat lucht die in de maag zit (voornamelijk door beademing) naar buiten komt, samen met de maaginhoud. In dat geval :
    • Stop de reanimatie : het is gevaarlijk om het slachtoffer te reanimeren met voedsel in de luchtweg.
    • Draai het hoofd van het slachtoffer van je weg en reinig de mondholte met één tot twee vingers, gewikkeld in een zakdoek.
    • Draai het hoofd terug en voer de hyperstrekking en de kinlift uit.
    • Controleer opnieuw de ademhaling en de hartwerking.
    • Start opnieuw met de reanimatie.
  • Indien je een goede beademing uitvoert, zie je bij elke beademing de borstkas uitzetten. Indien je dit moeilijk kan zien tijden het inblazen, dan dien je in ieder geval na iedere beademing de borstkas terug te zien zakken.
  • Soms wordt de huidskleur van het slachtoffer terug "gezonder" tijdens de reanimatie. Dat is echter niet altijd het geval.
  • Langdurige reanimatie (meer dan een uur) zonder voortgezette hulp (MUG) hebben slechts in zeldzame gevallen zin (bv. verdrinking in koud water).
<<<Inhoudsopgave--reanimatie--Les 5:De ademhaling>>>
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.