Wikijunior:Engels/Criminaliteit/Antwoorden

Engels Nederlands
  1. Give us the book, please. We want to read it.
  2. Go to the end of the street and then turn left.
  3. Don't forget to lock the door. Here's the key.
  4. Did you get to school on time?
  5. Officer, arrest that thief!
  6. Of course he's guilty. He started several times.
  7. He's not guilty. He's innocent.
  8. Do you own a computer? Yes, I have one.
  9. Is your friend a doctor? No. She is a nurse.
  10. I owe my friend a hundred pounds.
  11. I'm arresting you. You can call a lawyer.
  12. Fill in this form. Here's a pen to write with.
  13. Did the police chase the thief down the street?
  14. Is this a pen? No, this is a pencil.
  15. The baby is drinking a bottle of milk.
  16. Did you enter through the front door?
  17. Please go to the store. We need some eggs.
  18. This cake is delicious. Do you want a slice too?
  19. I'll take you to the beach. I'm going that way.
  20. He is on trial because he stole some money.
  21. Why is Billy in bed? He is sick.
  22. Where is your father. He is at work.
  23. Do you like Gerry? Yes, I like him very much.
  24. I'm going to be at the trial. See you in court.
  1. Geef ons dat boek, alsjeblieft. We willen het lezen.
  2. Ga naar het eind van de straat en ga dan naar links.
  3. Vergeet niet de deur op slot te doen. Hier is de sleutel.
  4. Ben je op tijd op school gekomen?
  5. Agent, arresteer die dief!
  6. Natuurlijk is hij schuldig. Hij is meerdere malen begonnen.
  7. Hij is niet schuldig. Hij is onschuldig.
  8. Heb je een computer? Ja, ik heb er een.
  9. Is je vriendin een dokter? Nee, ze is een verpleegster.
  10. Ik ben mijn vriend honderd pond schuldig.
  11. Ik arresteer u. U kunt een advocaat bellen.
  12. Vul dit formulier in. Hier is een pen om mee te schrijven.
  13. Heeft de politie de dief de straat door achtervolgd?
  14. Is dit een pen? Nee, dit is een potlood.
  15. De baby drinkt een fles melk.
  16. Ben je door de voordeur naar binnen gegaan?
  17. Ga alsjeblieft naar de winkel. We hebben wat eieren nodig.
  18. Deze cake is heerlijk. Wil jij ook een plakje?
  19. Ik breng je naar het strand. Ik ga die kant op.
  20. Hij staat terecht omdat hij geld heeft gestolen.
  21. Waarom is Billy in bed? Hij is misselijk.
  22. Waar is je vader? Hij is aan het werk.
  23. Vimd je Gerry aardig? Ja, ik vind hem erg aardig.
  24. Ik ga naar de rechtzitting. Tot ziens in de rechtzaal.

Opdracht 1

bewerken

Opdracht 1,1

bewerken

Zeg, vraag of vertel het!

  • Vertel dat Jonah misselijk is.

Is Jonah sick?

  • Vraag of je vriend een computer heeft.

Does your friend owns a computer?

  • Zeg dat je naar het eind van de straat moet en dan naar rechts.

Go to the end of the street and then turn right.

  • Zeg dat je een advocaat kunt bellen.

You can call a lawyer.

  • Vraag of iemand ook een stukje taart wil.

Do you want a piece of pie?

Opdracht 1,2

bewerken

Vertaal de volgende uitspraken naar het Nederlands!

  • Is your friend a doctor? No. She is a nurse.

Is je vriendin een dokter? Nee, ze is een verpleegster.

  • I'm going to be at the trial. See you in court.

Ik ga naar de rechtzitting. Tot ziens in de rechtzaal.

  • Officer, arrest him!

Officier, arresteer hem!

  • Is this a pencil? No, this is a pen.

Is dit een potlood? Nee, dit is een pen.

  • I owe my friend twenty pounds.

Ik ben mijn vriend honderd pond schuldig.

Opdracht 2

bewerken

Op straat wordt ineens geld van jou afgepakt. Vul de ontbrekende woorden in!

Jij: Stop that thief! Call the police!
Voorbijganger: Hey, who is that!
Jij: (hij staat terecht omdat hij geld heeft gestolen)

He is on trial because he stole some money.

Voorbijganger: Are you sure that he is guilty?
Jij: (natuurlijk is hij schuldig)

Of course he's guilty.

Voorbijganger: How do you know that?
Jij: (hij is meerdere malen gestart)

He started several times.

Voorbijganger: Okay, I'll call the police.
Tien minuten later wordt de dief betrapt.
Politieagent: (officier, arresteer de dief!)

Officer, arrest that thief!

Officier: Yes, of course.
Dief: What are you doing?
Politieagent: (ik arresteer je. Je kunt een advocaat bellen)

I'm arresting you. You can call a lawyer.

Woordjes

bewerken
Engels Nederlands
  • arrest
  • chase
  • corner
  • court
  • crime
  • end
  • enter
  • far
  • fence
  • follow
  • get
  • grab
  • guilty
  • innocent
  • intersection
  • jail
  • judge
  • jump
  • law
  • lock
  • opposite
  • pass
  • poor
  • side
  • steal
  • thief
  • through
  • trial
  • trouble
  • way
  • arresteren
  • najagen
  • hoek
  • hof
  • misdaad
  • eindigen/einde
  • binnengaan
  • ver
  • heg
  • volgen
  • krijgen
  • grijpen
  • schuldig
  • onschuldig
  • snijpunt
  • gevangenis
  • oordelen/rechter
  • springen
  • wet
  • slot
  • tegenovergestelde/tegenover
  • passeren
  • arm
  • partij kiezen/zijde
  • stelen
  • dief
  • door
  • proef
  • onrust
  • weg

Opdracht 3

bewerken

Maak het bovenstaande schema compleet! Je mag een woordenboek gebruiken.

Opdracht 4

bewerken

Vul de ontbrekende woorden in! Kies uit: fence, get, intersection, invited, arrested, open, grab, sidewalk, way en destroy

  • De police caught the thief last night. They arrested him and put him in jail.
  • You can't see their house from the street, because there's a high fence around it.
  • I'm lost. Can you show me the way to Spruce Street?
  • Sure. Follow me.
  • Don't forget to open the door when you leave.
  • When did Barbara get to Miami?
  • She arrived on Monday.

Grammatica

bewerken

Anders dan in het Nederlands kan in een Engelse vragende zin het hoofdwerkwoord niet alleen staan. Als er in de zin hulpwerkwoorden voorkomen, gaat het eerste daarvan naar het begin van de zin. Bij 'Father will buy chips' (vader zal patat kopen) waar 'buy' het hele werkwoord is en 'will' een hulpwerkwoord gaat in de vragende vorm 'will' naar het begin van de zin: 'Will father buy chips?'

Als er in de zin alleen een hoofdwerkwoord staat, zonder hulpwerkwoorden, wordt voor de vragende vorm het hulpwerkwoord 'do' gebruikt. Een zin als 'The guide works hard' (de gids werkt hard) wordt vragend gemaakt door 'do' aan het begin van de zijn te zetten: 'Does the guide work hard?' Als de zin met een vragend voornaamwoord begint (wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe) wordt het onmiddelijk gevolgd door 'do': 'When does the train get here' (hoe laat komt de trein hier aan?).

In het Engels kan een hoofdwerkwoord niet zonder hulpwerkwoord in een vragende zin kan staan. Maar er is één uitzondering: het werkwoordje 'be'. 'He is rich' wordt in de vragede vorm gewoon 'Is he rich?', net als in het Nederlands. 'Is hij rijk?'

Opdracht 5

bewerken

Zet de volgende zinnen in de vragende vorm.

  • He loves his mum.

Does he love his mum?

  • She is in love with him.

Is she in love with him?

  • They are watching TV.

Are they watching TV?

  • We are good friends.

Are we good friends?

  • My name is Earl.

Is my name Earl?

  • You are the best in the world.

Are you the best in the world?

Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.