Wikijunior:Engels/Erop uit/Antwoorden

Engels Nederlands
  1. Leave the building through the exit.
  2. This chocolate is hard. It has a nut in the center.
  3. Don't be sad. I'm not going away forever.
  4. There was an exhibition at the art gallery.
  5. Did the swimming lesson begin on time?
  6. Where were you yesterday?
  7. Is that a new sweater? No, I bought it last year.
  8. A trip around the world costs a lot of money.
  9. The hamburger is on the grill.
  10. I send a letter to my friend in Canada.
  11. Why is this camera so expensive?
  12. The repairman is here to fix the oven.
  13. Your mail is on your desk, Mr. Hamel.
  14. The basketball game starts at 8 p.m.
  15. Tell me what you need and I'll buy it.
  16. I enjoyed the play. John's a great actor.
  17. Let's stay. The children seem to be having a good time.
  18. When are you going home? At 5 p.m.
  19. You will miss the concert if you don't come on time.
  20. I want to sit in the middle row at the theater.
  21. I was late, so I ran all the way to school.
  22. I'm sorry, sir. We can't find your ticket.
  23. Please, stand in this line for tickets to the game.
  24. How long is the play? Two hours.
  25. The music is too loud. I can't hear anything else.
  1. Verlaat het gebouw door de uitgang.
  2. Deze chocolade is hard. Hij heeft een noot in het midden.
  3. Wees niet treurig. Ik ga niet voor altijd weg.
  4. Er was een tentoonstelling in de galerie.
  5. Is de zwemles op tijd begonnen?
  6. Waar was je gisteren?
  7. Is dat een nieuw sweatshirt? Nee, ik heb het vorig jaar gekocht.
  8. Een reis rond de wereld kost veel geld.
  9. De hamburger ligt op de gril.
  10. Ik stuur(de) een brief naar mijn vriend in Canada.
  11. Waarom is deze camera zo duur?
  12. De repateur is hier om de oven te repareren.
  13. Uw post ligt op uw bureau, meneer Hamel.
  14. De basketbalwedstrijd begint om 8 uur 's avonds.
  15. Vertel wat je nodig hebt en ik zal het kopen.
  16. Ik heb genoten van het toneelstuk. John is een groot acteur.
  17. Laten we blijven. De kinderen hebben het zo te zien naar hun zin.
  18. Wanneer ga je naar huis? Om vijf uur 's middags.
  19. Je zult het concert missen als je niet op tijd komt.
  20. Ik wil in de middelste rij zitten in de schouwburg.
  21. Ik was laat, dus ik rende de hele weg naar school.
  22. Het spijt me meneer. We kunnen uw kaartje niet vinden.
  23. Ga alstublieft in deze rij staan voor kaartjes voor de wedstrijd.
  24. Hoe lang duurt het stuk? Twee uur.
  25. De muziek is te luid. Ik kan niks anders horen.

Opdracht 1

bewerken

Opdracht 1,1

bewerken

Zeg, vraag of vertel het!

  • Zeg dat de kinderen een goede tijd hebben als we blijven.

The children seem to be having a good time.

  • Zeg dat deze chocolade hard is. Hij heeft een noot in het midden.

This chocolate is hard. It has a nut in the center.

  • Vraag aan je vriend wanneer hij naar huis gaat.

When are you going home?

  • Vertel dat je laat was en dus de hele weg naar huis rende.

I was late, so I ran all the way home.

  • Vraag waarom die camera zo duur is.

Why is this camera so expensive?

Opdracht 1,2

bewerken

Vertaal de volgende uitspraken naar het Nederlands.

  • The repairman is here to fix the oven.

De repateur is hier om de oven te repareren.

  • I'm sorry, sir. We can't find your ticket.

Het spijt me meneer. We kunnen uw kaartje niet vinden.

  • When are you going home? At 2 p.m.

Wanneer ga je naar huis? Om twee uur 's middags.

  • How long is the play? Three hours.

Hoe lang duurt het stuk? Driee uur.

  • It costs a lot of money.

Het kost veel geld.

Woordjes

bewerken
Engels Nederlands
  • aisle
  • appear
  • begin
  • behind
  • concert
  • continue
  • cost
  • curtain
  • enter
  • exhibition
  • exit
  • forever
  • gallery
  • how long
  • intermission
  • last
  • line
  • loud
  • miss
  • orchestra
  • perform
  • play
  • program
  • receipt
  • row
  • seat
  • stage
  • tonight
  • usher
  • gangpad
  • verschijnen
  • beginnen
  • achter
  • concert
  • doorgaand
  • kost(en)
  • gordijn
  • binnengaan
  • tentoonstelling
  • uitgang
  • voor altijd
  • galerij
  • hoe lang
  • pauze
  • duren/laatste
  • lijn
  • luid
  • juffrouw/missen
  • orkest
  • uitvoeren
  • spelen
  • programma
  • kwitantie
  • roeien/ruzie
  • stoel
  • podium
  • vannacht
  • zaalwachter

Opdracht 3

bewerken

Maak het bovenstaande schema compleet! Je mag een woordenboek gebruiken.

Opdracht 4

bewerken

Vul de vergeten woorden in. Kies uit: cost, program, curtain, miss, performance, stage, perform, exit, orchestra en asked

  • I love your new dress!
  • Thanks! I bought it on sale! It only cost forty pounds!
  • This party is awful, but it is too early to leave.
  • I don't care! Let's make a quick exit.
  • What did the orchestra perform last night?
  • A beautiful symphony by Beethoven.
  • Look at this traffic!
  • Now we'll miss the beginning of the concert!
  • I don't want to stand on the stage and sing in front of all those people!
  • But you have to! You're the star of the show!

Grammatica

bewerken

Als je in het Engels tot twintig wil tellen, doe je dat als volgt.

  1. One
  2. Two
  3. Three
  4. Four
  5. Five
  6. Six
  7. Seven
  8. Eight
  9. Nine
  10. Ten
  11. Eleven
  12. Twelve
  13. Thirteen
  14. Fourteen
  15. Fifteen
  16. Sixteen
  17. Seventeen
  18. Eighteen
  19. Nineteen
  20. Twenty

Vanaf het getal 21 worden de getallen gevolgd door de getallen 1 tot en met 9 achter het tiental te zetten. 21 wordt dus 'twenty-one' en 22 'twenty-two'. De andere tientallen tot de honderd zijn:

  • Thirty
  • Fourty
  • Fifty
  • Sixty
  • Seventy
  • Eighty
  • Ninety
  • A hundred
    • 101 is a hundred and one
    • 102 is a hundred and two
    • 110 is a hundred and ten
    • 120 is a hundred and twenty

De verschillende honderdtallen worden eenvoudig gevormd door de getallen 1 t/m 9 voor hundred te plaatsen. Tweehonderd wordt two hundred.

Duizend is one thousand. Vergeet niet de 'one' ervoor te zetten! Tweeduizend is two thousand, tienduizend is ten thousand en honderdduizend is a hundred thousand (vergeet de 'a' niet) Nu kun je tot 999.999 tellen! Dat is bijna een miljoen! (one million) Dat is voorlopig wel genoeg.

Net als het Nederlands kent het Engels ook rangtelwoorden. Dit zijn telwoorden die een rang of een volgorde aangeven, zoals eerste en tiende. Net als in het Nederlands worden rangtelwoorden vervoegd. In het Engels wordt dit gedaan door de letter 'th' achter het telwoord te plaatsen. Vierde wordt 'fourth' en tiende 'tenth'.

Let wel hierbij op, want er zijn een aantal uitzonderingen:

  • eerste=first
  • tweede=second
  • derde=third
  • achtste=eighth
  • negende=ninth
  • twaalfde=twelfth
  • een-en-twintigste=twenty-first
  • een-en-dertigste=thirty-first

En bij getallen die met de letter 'y' eindigen, wordt de 'y' vervangen door 'ie'. Twintigste wordt dus 'twentieth'.

Opdracht 5

bewerken

Vertaal de volgende getallen naar het Engels.

  • 66 =

sixty-six

  • 628 =

six hundred and twenty-six

  • 1.073 =

one thousand and seventy three

  • 13.602 =

thirteen thousand and six hundred and two

  • 1.538.269 =

one million five hundred thirty-eight thousand two hundred sixty-nine

Opdracht 6

bewerken

Schrijf de ranktelwoorden op!

  • 47 =

forty-seventh

  • 100 =

hundredth

  • 1.363 =

one thousand three hundred and sixty third

  • 73.249 =

seventy three thousand two hundred and forty-ninth

  • 1.000.000 =

one millionth

Je kunt nu je tweede toets maken! Hij gaat over de hoofdstukken Vergadering, Feest, Criminaliteit en Erop Uit.

Het werkt als volgt: Kopieer de toets in Word, Maak hem in word en download het antwoordenblad en kijk hem zelf na. Als het je niet lukt, vraag dan aan je vader, moeder, juf of meester of hij of zij het wil doen.

Als je wilt, kun je de cijfers op het overleg van deze pagina zetten! Ik weet ze graag, want dan kan ik eens kijken hoe mijn cursus nu voor anderen is!

Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.