Basiskennis chemie 2/Reactievergelijking opstellen/Opgaven



Theorie

bewerken

Zie voor de de theorie van deze opgaven hier.

Voor uitleg over deze pagina: klik op "uitklappen" rechts in dit kader.

Op onderstaande pagina zijn alleen de vragen zichtbaar in een kader op een afwijkende ondergrond. Binnen het kader is rechts een knop zichtbaar: "Uitklappen", vergelijkbaar met de knop om deze tekst te openen. Door op deze knop te klikken wordt het antwoord van de betreffende vraag zichtbaar.
Vaak, maar niet altijd is er ook een uitwerking bij de vraag aanwezig. Deze blijft bij het openen van het antwoord nog onzichtbaar, maar opnieuw is, als een uitwerking beschikbaar is, een knop "Uitklappen" aanwezig om de uitwerking zichtbaar te maken. Ontbreekt bij het antwoord de knop "Uitklappen", dan is geen uitwerking bij de vraag beschikbaar.

Indien gewenst kunnen antwoord en uitwerking ook weer onzichtbaar gemaakt worden door op de zelfde plek als waar de knop "Uitklappen" aanwezig was op de knop "Inklappen" te klikken.

Reactievergelijkingen kloppend maken, formules

Reactievergelijkingen, formules
1.
 
 
2.
 
 
3.
 
 
4.
 
 
5.
 
 
6.
 
 
7.
 
 
8.
 
 
9.
 
 
10.
 
 
11.
 
 
12.
 
 

Bij een vergelijking als deze is het volgen van de verschillende stappen belangrijk.
Zoek de verbinding met de meeste verschillende atomen erin en geef deze de coëfficiënt 1. dat is duidelijk  :

 

In   zitten 3 barium-atomen, die afkomstig zijn uit   met maar 1 barium-atoom. Daar heb je er dus drie van nodig:

 

In   zitten 2 fosfor-atomen, die afkomstig zijn uit   met maar 1 fosfor-atoom. Daar heb je er dus twee van nodig:

 

In   zitten 2 * 3 stikstof-atomen, die na de reactie alleen in ammoniak   met maar 1 stikstof-atoom voorkomen. Van de ammoniak heb je er dus zes nodig:

 

In de twee moleculen   zitten samen 2 * 4 = 8 zuurstof-atomen, in de drie moleculen   zitten 6 zuurstof-atomen. Samen dus 8 + 6 = 14 zuurstof-atomen. Na de reactie zijn 8 zuurstof-atomen aanwezig in  , zodat er dus nog 14 - 8 = 6 over zijn voor water.

 

Het enige element waar je nog niet naar gekeken hebt is waterstof. Gebruik je de coëfficiënten die je gevonden hebt, dan zijn er voor de reactie 2 * 4 * 3 = 24 in   en 3 * 1 * 2 = 6 in  , samen dus 30. Na de reactie zijn er 6 * 3 = 18 waterstof-atomen aanwezig in   en 6 * 2 = 12 in  . Samen ook 30. De vergelijking klopt dus. Er komen geen breuken in de coëfficiënten voor, dus daar hoef je niets aan te doen, alleen de 1 bij   kan nog weggelaten worden:

 
13.
 
 

Reactievergelijkingen kloppend maken, namen

Reactievergelijkingen, namen
14.
Kalium plus water geeft kaliumhydroxide plus waterstof
 
 
15.
Stikstof plus waterstof geeft ammoniak ( )
 
 
16.
koper(II)sulfaat plus zink geeft zinksulfaat plus koper
 
 
17.
Natriumhydroxide plus koolzuur geeft natriumcarbonaat en water
 
 
18.
Bariumhydroxide plus aluminiumsulfaat geeft aluminiumhydroxide plus bariumsulfaat
 
 
19.
Joodmonochloride plus chloor geeft joodpentachloride
 
 
20.
Distikstofpentoxide plus water geeft salpeterzuur (= waterstofnitraat)
 
 
21.
IJzer(II)bromide plus aluminium geeft aluminiumbromide plus ijzer
 
 





Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.