Spinoza Ethica

Inleiding
  1. Spinoza Ethica
Delen
  1. "God"
  2. De menselijke geest
  3. De gevoelens
  4. De menselijke slavernij of de macht van de gevoelens
  5. De macht van het verstand of de menselijke vrijheid


Auteurs
  1. Hansmuller

Ethica Deel 2 De menselijke geest - Ethices Pars Secunda De Naturâ et Origine Mentis

Benedictus de Spinoza: Ethica deel 2. Ethices Pars secunda, De Naturâ & Origine mentis, 1677. "Over aard en oorsprong van de menselijke geest".
  • Voorwoord
  • Definities en axioma's
  • Geest en lichaam: 1-9 Denken, uitgebreidheid, voorstelling. 10 - 13 De geest is de voorstelling die bij het lichaam hoort. Uitweiding: vooronderstellingen over de aard van voorwerpen en het menselijk lichaam
  • Kennis: 14-23 Waarneming en verbeelding. 24-31 Onvolkomen voorstellingen. 32-39 Onjuistheid en waarheid. 40-43 Drie soorten van kennis. 44-47 Afdoende kennis.
  • Wil en verstand: 48-49 Deze komen op hetzelfde neer.

Voorwoord

bewerken

(Spinoza:) Hier ga ik verder met de uitleg van wat uit het wezen van "God", het eeuwige en oneindige wezen, noodzakelijk moet volgen, maar niet alles. Want in stelling 16 van deel 1 bewezen we dat uit "God" oneindig veel dingen op oneindig veel manieren moeten volgen. Dus hier alleen wat ons als bij de hand kan leiden tot kennis van de menselijke geest en zijn hoogste geluk.

Definities

bewerken
  1. Onder voorwerp (Latijn: corpus) versta ik (Spinoza) een modus (bestaanswijze) die het wezen van "God" als Uitgebreidheid op een bepaalde manier uitdrukt.
  2. Tot het wezen van iets behoort volgens mij alles waardoor het moet bestaan en wat ervoor onontbeerlijk is. Als het wezen van iets ontbreekt is het onbestaanbaar en ondenkbaar.
  3. Onder een idee versta ik een voorstelling door de Geest. Deze vormt het idee omdat hij kan denken.
  4. Met een adequaat idee bedoel ik een idee dat op zichzelf al alle intrinsieke kenmerken van een juist idee heeft. (Dit hangt er niet van af, of het idee overeenkomt met het voorgestelde.)
  5. De duurzaamheid (duratio) van iets is de onbeperkte voortzetting van het bestaan ervan.
  6. Onder werkelijkheid en volmaaktheid versta ik hetzelfde.
  7. Met losse dingen (res singulares) bedoel ik dingen die eindig zijn en maar een beperkte tijd bestaan. Wanneer losse dingen tegelijk samenwerken als oorzaak van één gevolg, beschouw ik ze samen als één ding.

Axioma's

bewerken
  1. Het wezen van de mens maakt hem/haar niet noodzakelijk. Volgens de orde van de Natuur kan een bepaald mens net zo goed wel als niet bestaan.
  2. De mens denkt.
  3. Modi (vormen, bestaanswijzen) van denken, als liefde, begeerte en andere zielsaandoeningen, kunnen alleen maar bestaan in een individu als deze een idee heeft van wat bemind, begeerd enzovoort wordt. Maar omgekeerd kan zo'n idee wel bestaan zonder een andere vorm (modus) van denken.
  4. Wij merken dat een voorwerp (lichaam) invloeden van buiten ondergaat.
  5. Het enige wat we kunnen voelen of waarnemen zijn voorwerpen en manieren van denken.

Stellingen 1

bewerken

(Achter de stellingen worden de definities (d), axioma's (a) en de stellingen (s) aangegeven van deel 1 of dit deel 2, waarmee het bewijs geleverd wordt. Gevolgen en opmerkingen moeten nog (grotendeels) aangevuld worden.)

  1. Het denken is een attribuut van "God", oftewel "God" denkt (Latijn: Deus est res cogitans). 1s25 gevolg, 1d5, 1d6.
    Opmerking (scholium): Dit moet wel, omdat we ons inderdaad een oneindig denkend wezen kunnen voorstellen. Een wezen dat oneindig veel dingen op oneindig veel manieren kan denken, moet oneindig denkvermogen hebben (1d4 en 1d6). Het Denken moet een van de oneindig vele attributen (eigenschappen) van "God" zijn.
  2. De Uitgebreidheid is een attribuut van "God", oftewel "God" neemt ruimte in (is iets uitgebreids, Latijn: Deus est res extensa). Bewijs idem.
  3. God moet een idee hebben van zichzelf en van alles wat noodzakelijkerwijs uit zijn wezen voortvloeit. 2s1, 1s16, 1s35, 1s15.
    Opmerking.
  4. Er kan maar één idee van "God" bestaan, waaruit oneindig veel op oneindig veel manieren volgt. 1s30, 1s14 gevolg I
  5. Het werkelijk bestaan van ideeën komt door "God" alleen voor zover hij als een denkend iets wordt gezien. "God" als iets wat denkt is de werkzame oorzaak (Latijn: pro causa efficiente) van de ideeën van de losse dingen en van de attributen van "God". 2s3, 1s25 gevolg, 1s10, 1a4
  6. "God" is de oorzaak van de bestaanswijzen van een attribuut alleen als men hem onder het bijbehorende attribuut beschouwt. 1s10, 1a4. Gevolg.
  7. De ordening en het verband tussen de ideeën zijn hetzelfde als die tussen de dingen. (Commentaar: dingen en hun bijbehorende ideeën zitten in dezelfde patronen.) 1a4. Gevolg. Opmerking.
  8. De ideeën of bestaanswijzen van niet-bestaande losse dingen moeten net zo in het oneindige idee van "God" opgevat worden, als de formele kern van de losse dingen of bestaanswijzen in de attributen van "God". Bewijs met voorgaande stelling 2s6. Gevolg (Corollarium): ... meetkunde van een cirkel met koorden. Gevolg. Opmerking.
  9. Het idee van een afzonderlijke werkelijke zaak komt door "God" omdat hij een voorstelling heeft van een andere zaak, waarvan "God" de oorzaak is omdat hij een voorstelling heeft van een derde zaak, en zo tot in het oneindige. 2s8 Gevolg en Uitleg, 2s6, 1s28, 2s7. Gevolg. Bewijs.
  10. Het wezen van de mens bestaat niet uit de substantie. 1s7, 2d2. Opmerking. Gevolg. Opmerking.
  11. Het idee (de voorstelling) van een werkelijk bestaand ding is het eerste wat het werkelijk bestaan van de menselijke geest vormt. Gevolg voorgaande stelling 2s10, 2a2, 2a3, 2s8, 1s21, 1s22, 2a1. Gevolg. Opmerking.
  12. De menselijke geest moet begrijpen wat er gebeurt in het object van een idee dat de geest vormt. Als dat voorwerp een lichaam is, moet de geest alles waarnemen wat er gebeurt. 2s9 gevolg, 2s11, 2s11 gevolg, 2s11. Opmerking.
  13. Het lichaam is het object van de voorstelling die de menselijke geest uitmaakt. Het lichaam is niets anders dan een echte vorm van uitgebreidheid. 2s9 gevolg, 2s11 gevolg, 2a4, 2s11, 1s36, 2s11, 2a5. Gevolg. Opmerking.

Axioma's, lemma's en definitie

bewerken

Axioma's

bewerken
  1. Alle voorwerpen bewegen of zijn in rust.
  2. Een voorwerp beweegt soms sneller, soms langzamer.

Lemma's

bewerken
  1. De voorwerpen verschillen van elkaar wat betreft beweging en rust, en snelheid en traagheid, maar niet wat betreft hun substantie. 1s5, 1s8, 1s15
  2. Alle voorwerpen komen in sommige opzichten overeen. 2d1
  3. Een voorwerp in beweging of rust moet door een ander voorwerp tot rust of beweging worden gebracht, dat zelf door een ander voorwerp tot rust of beweging is gebracht, zo tot in het oneindige (Latijn: sic in infinitum). 2d1, 2l1, 1s28, 2s6, 2a2-1. Gevolg.

Axioma's

bewerken
  1. Alle bestaanswijzen van een voorwerp waar een ander voorwerp op inwerkt, volgen uit de aard van beide voorwerpen. Dus een voorwerp wordt op verschillende manieren bewogen, vanwege de verschillende aard van de bewegende voorwerpen. Omgekeerd worden verschillende voorwerpen ander bewogen door een en hetzelfde voorwerp.
  2. Als een voorwerp tegen een ander voorwerp botst dat niet kan bewegen, wordt het zo weerkaatst dat de hoek van de weerkaatste beweging met het oppervlak van het stilliggende voorwerp gelijk is aan de hoek van de invallende beweging.

Definitie

bewerken
   Als een aantal voorwerpen op elkaar gedrukt wordt, of als zij in een vaste verhouding bewegen, dan noemen we deze voorwerpen verenigd en zeggen we dat ze samen een voorwerp vormen, dat zich onderscheidt van de andere voorwerpen.
   3. Hoe groter of hoe kleiner de oppervlakken, waarmee de delen van een los of samengesteld voorwerp elkaar raken, des te moeilijker of makkelijker ze ertoe aangezet kunnen worden om zich te verplaatsen en des te moeilijker of makkelijker hun vorm veranderd kan worden. Daarom noem ik voorwerpen ddie elkaar over grote oppervlakken raken hard en die over kleine oppervlakken week en dan noem ik nog vloeibaar de voorwerpen met onderling beweegbare delen.

Lemma's

bewerken
   4. Als van een afzonderlijk voorwerp of lichaam sommige delen loskomen en tegelijkertijd andere van dezelfde aard hun plaats innemen, behoudt dit voorwerp zijn aard en karakter. 2l1, 2d2-1
   5. Als de samenstellende delen van een afzonderlijk ding groter of kleiner worden, maar zó dat ze alle ten opzichte van elkaar in dezelfde verhouding van rust en beweging blijven als eerder, dan zal dit afzonderlijke ding zijn aard en karakter behouden. Bewijs idem.
   6. Als voorwerpen die samen een afzonderlijk ding vormen, gedwongen worden hun bewegingsrichting te veranderen, maar zo dat ze hun beweging kunnen voortzetten en net als eerder aan elkaar kunnen doorgeven, dan zal dit afzonderlijke ding zijn aard en karakter behouden. 2d2-1
   7. Een afzonderlijk ding dat zo is opgebouwd behoudt zijn karakter of het nu in zijn geheel beweegt of in rust is, of in deze of gene richting beweegt, zolang maar ieder deel zijn beweging houdt en als eerder aan de andere delen meegeeft. 2d2-1. Opmerking.

Postulaten

bewerken
  1. Het menselijk lichaam bestaat uit vele losse verschillende delen, die alle in hoge mate samengesteld zijn (commentaar: uit weer andere delen).
  2. Sommige onderdelen van het lichaam zijn vloeibaar, andere zacht of hard.
  3. Op de onderdelen van het menselijk lichaam en dus op het lichaam zelf, werken voorwerpen buiten het lichaam op verschillende manieren in.
  4. Het menselijk lichaam heeft voor zijn instandhouding veel andere voorwerpen nodig, waarmee het de hele tijd opnieuw wordt opgebouwd (Latijn:continuò quasi regeneratur)
  5. Wanneer een vloeibaar lichamsdeel door een voorwerp van buiten tegen een ander zacht lichaamsdeel wordt geduwd, verandet het oppervlak daarvan en krijgt het sporen van het uitwendige voorwerp.
  6. Het menselijk lichaam kan uitwendige voorwerpen op veel manieren bewegen en ordenen (Latijn:disponere).

Stellingen 2

bewerken
   14. De menselijke geest kan zeer veel waarnemen, en des te beter naarmate het lichaam op meer manieren kan worden beïnvloed. 2p3, 2p6, 2s12
   15. De gedachte (idee) die de formele kern van de menselijke geest vormt, is niet enkelvoudig maar samengesteld uit zeer vele ideeën. 2s13, 2p1, 2s8 gevolg, 2s7
   16. De idee van iedere modus waardoor uitwendige voorwerpen op het menselijk lichaam kunnen inwerken, houdt (vooronderstelt?) de aard (Latijn: natura) van het menselijk lichaam in en van het uitwendige voorwerp. 2a2-1, 1a4.
16 Gevolg I: De menselijke Geest neemt de aard van het eigen Lichaam en van veel andere voorwerpen waar.
16 Gevolg II: Onze voorstellingen van voorwerpen buiten ons zeggen meer van de toestand van ons eigen Lichaam, dan van die voorwerpen. Zie de voorbeelden in Deel 1 Aanhangsel.
   17. Als een uitwendig voorwerp op het menselijk lichaam inwerkt op een manier die de aard ervan in zich sluit, beschouwt de menselijke geest dit voorwerp als werkelijk, totdat het lichaam een indruk krijgt die dat voorwerp uitsluit.
17 Bewijs. 2s12...
17 Bijkomende stelling. De menselijke geest kan uitwendige voorwerpen die ooit het lichaam hebben beïnvloed als aanwezig beschouwen, ook al zijn ze er niet.
17 Bewijs. Bij aanraking verandert het oppervlak van het lichaam 2s12, 2s17...
17 Opmerking: Als Paulus aan Petrus denkt, zegt dit meer van Paulus dan van Petrus. Als Petrus helemaal niet bestaat, kan Paulus hem als bestaand voorstellen, zolang Paulus' lichaam gelijk blijft. Om niet teveel van het gewone spraakgebruik af te wijken, noemen we de aandoeningen waarvan de ideeën ons voorwerpen buiten ons als aanwezig voorstellen, gewoon beelden van de dingen, hoewel ze ons niet de uiterlijke verschijning van die voorwerpen geven. Op zichzelf bevat de voorstelling door de geest geen fouten, als de verbeeldingskracht alleen van eigen aard afhangt Deel 1 definitie 7.
   18. Als twee of meer voorwerpen een keer op het menselijk lichaam inwerken, dan zal de geest zich later bij het ene voorwerp ook het andere herinneren. Opmerking..
   19. De menselijke geest kent het eigen lichaam niet en weet alleen van het bestaan van het lichaam door de voorstellingen (ideae) van de prikkels op het lichaam.
   20. "God" heeft ook een voorstelling of kennis van de menselijke geest, die in "God" op dezelfde manier ontstaat en met "God" in verband staat als de voorstelling of kennis van het menselijk lichaam.

   21. Dit idee van de geest (in God) is opdezelfde manier gekoppeld met de geest als de geest zelf met het lichaam. (Latijn: Hae Mentis idea eodem modo unita est Menti, ac ipsa Mens unita est Corpori.) Opmerking.
   22. De menselijke geest merkt niet alleen de inwerkingen op het lichaam (Latijn: Corporis affectiones), maar ook de voorstellingen (Latijn: ideae) ervan.
   23. De geest kent zichzelf alleen maar door de voorstellingen van de inwerkingen op het lichaam.
   24. De menselijke geest heeft geen afdoende kennis van de delen van het menselijk lichaam.
   25. De voorstelling van een inwerking op het menselijk lichaam levert geen afdoende kennis van het inwerkende voorwerp.
   26. De menselijke geest neemt een uitwendig voorwerp alleen waar via de voorstellingen van de inwerkingen ervan op het eigen lichaam. Gevolg. Bewijs.
   27. De voorstelling van een inwerking op het lichaam levert geen afdoende kennis op van het menselijk lichaam.
   28. De voorstellingen van inwerkingen op het menselijk lichaam zijn verward (en niet helder en onderscheiden) als ze alleen maar in de menselijke geest voorkomen. Opmerking.
   29. De voorstelling van weer de voorstelling van een inwerking op het menselijk lichaam, levert geen afdoende kennis van de menselijk geest op (Latijn: non involvit). Gevolg. Opmerking.
   30. Van de duur van ons lichaam kunnen we alleen maar heel onvolledige kennis hebben (Latijn: inadequata cognitio)

   31. Van de duur van losse dingen buiten ons kunnen we maar een zeer onvoldoende (inadequate) kennis hebben. Gevolg..
   32. Alle voorstellingen (Latijn: ideae) zijn waar voor zover ze naar "God" verwijzen.
   33. Niets positiefs in voorstellingen kan een reden zijn om ze onwaar te noemen.
   34. Elke voorstelling is waar die in ons absoluut (?) is oftewel adequaat is. (commentaar: vertaalfout bij Krop?)
   35. Onjuistheid (Latijn: falsitas) bestaat uit een gebrek aan kennis dat komt door inadequate, namelijk oftewel gebrekkige en verwarde voorstellingen. Opmerking.
   36. Inadequate en verwarde voorstellingen volgen elkaar op met de zelfde noodzakelijkheid (commentaar: logica), als adequate dat wil zeggen heldere en onderscheiden voorstellingen.
   37. Wat alle dingen gemeen hebben en wat evenzeer in een deel als in het geheel voorkomt, maakt van geen enkel los ding het wezen uit.
   38. Wat overal voorkomt en net zo voorkomt in een deel als in het geheel moet wel adequaat worden gekend. Gevolg..
   39. De voorstelling in de geest van wat in het menselijk lichaam en in uitwendige voorwerpen die normaal op het lichaam inwerken en wat in hun delen en in hun geheel voorkomt en gemeen en eigen is, zal adequaat zijn (?). Gevolg.
   40. Ideeën in de geest die volgen uit adequate (afdoende) ideeën, zijn zelf ook adequaat. In het scholium (commentaar) 2.3 van het bewijs noemt Spinoza drie soorten kennis:
        1. kennis uit vage ervaring
        2. kennis van algemeen erkende begrippen en juiste voorstellingen van eigenschappen van dingen
        3. intuitief weten van adequate kennis van het wezen van de dingen. Spinoza gebruikt stelling 19 boek 7 van Euclides' Elementen (kruislings vermenigvuldigen) als voorbeeld. Opmerking I. Opmerking II. 1, 2, 3, regel van drieën

   41. De eerste soort kennis is de enige bron van onwaarheid (Latijn: falsitas), maar de tweede en derde soort zijn noodzakelijk waar.
   42. De twee en de derde soort kennis leert (Latijn:docet) ons waarheid van onwaarheid te onderscheiden, niet de eerste soort kennis.
   43. Wie een ware voorstelling (Latijn: idea) heeft, weet dat daardoor en twijfelt niet aan de juistheid ervan. Opmerking.
   44. Het ligt niet in de aard van het Verstand om dingen als toevallig te zien, maar als noodzakelijk. Gevolg. Opmerking. Gevolg II.
   45. Elke voorstelling van een voorwerp of echt bestaand los ding, brengt noodzakelijk het eeuwige en oneindige wezen van "God" met zich mee. Opmerking..
   46. De kennis van het eeuwige en oneindige wezen (Latijn: essentia) van "God", die alle ideeën insluit (met zich meebrengt) (Latijn: involvit) is adequaat en volmaakt.
   47. De menselijke geest heeft adequate kennis van het eeuwige en oneindige wezen (Latijn: essentia) van "God". Opmerking. Opmerking II.
   48. In de geest bestaat er geen vrije wil, maar de geest wordt door een oorzaak aangezet om iets te willen. Die oorzaak heeft zelf weer een andere oorzaak, die ook een oorzaak heeft, en zo tot in het oneindige.(dus een keten van oorzaak en gevolg). Opmerking....Petrus en Paulus..
   49. Alle wilsuitingen (dus bevestigingen en ontkenningen) in de geest houden een voorstelling in (een idee als idee). (Andere vertaling: In de geest bestaan er alleen wilsuitingen (dat wil zeggen bevestigingen of ontkenningen), die een idee als idee insluiten.)
49 Voorbeeld in het bewijs: de bevestiging dat de hoeken van een driehoek samen 180o zijn vooronderstelt het idee van een driehoek.
49 Gevolg: Wil en verstand zijn hetzelfde.
49 Opmerking. 1. 2. 3. 4. Nut 1. 2. 3. 4.
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.