Woordenboek literatuur

In dit Woordenboek literatuur worden een aantal termen uitgelegd die je zult aantreffen in teksten over literatuur, begrippen die in literatuuranalyse veel worden gebruikt, alsook informatie over belangrijke auteurs en hun werk.


A · B · C · D · E · F · G · H · I · J · K · L · M · N · O · P · Q · R · S · T · U · V · W · X · Y · Z
  • Aemulatio - Een term waarmee bedoeld wordt dat de klassieke auteurs en teksten nagevolgd dienen te worden, en zo mogelijk overtroffen. Op die manier wordt gewedijverd met literaire voorgangers naar wie men opkijkt. De term heeft vooral in de renaissance opgang gemaakt. Uit deze periode dateert ook de spreuk Translatio, imitatio et aeumulatio (Lat.: "vertaling, navolging en verbetering").
  • Aforisme - Een korte en kernachtige stelling, meestal in de vorm van één enkele zin, waarin een duidelijke boodschap vervat zit.
  • Alliteratie: - Een stijlfiguur waarbij de voorste medeklinkers worden herhaald. Bijvoorbeeld: smerige smaken; lenige Leen; menige mens;boertige Bart
  • Anafoor - Stijlmiddel waarbij een woord of woordgroep wordt herhaald aan het begin van elke nieuwe regel of zin.
  • Antagonist - De tegenspeler van de protagonist in een verhaal. Vaak is de antagonist de slechterik, terwijl de protagonist de held is.
  • Antimetrie- Een verbreking van het metrum.
  • Aristophanes - Een Grieks dichter en schrijver van komedies uit de 5e en 4e eeuw v.Chr. Twee van zijn bekendste stukken zijn Lysistrata, een komedie over een seksstaking van de Atheense en Spartaanse vrouwen om de oorlog te stoppen, en Wolken waarin ook Socrates als geparodieerd personage optreedt.
  • Assonantie ofwel klinkerrijm - Vorm van rijm waarbij alleen de klinkers rijmen. Voorbeeld: In stil verdriet / heb ik de maan lief
  • Auctoriële verteller - Verteller die geheel boven het verhaal zelf staat en alles weet, inclusief wat zich in de gedachtenwerelden van de verschillende personages afspeelt en welke gebeurtenissen nog moeten plaatsvinden. Aan het andere uiteinde bevindt zich de ik-verteller, die terwijl hij vertelt zelf midden in het verhaal zit en alleen datgene weet wat voor hem rechtstreeks waarneembaar is.
  • Barrett Browning, Elizabeth (1806-1861): een van de meest vooraanstaande dichters van het Victoriaanse tijdperk. Behalve om haar romance met de dichter Robert Browning is zij nu vooral bekend om haar Sonnets from the Portuguese, een reeks liefdesgedichten die zij aan hem wijdde.
  • Browning, Robert (1812-1889): een van de belangrijkste Engelse dichters van het Victoriaans tijdperk, geprezen om zijn beheersing van de dramatische monoloog en zijn levendige psychologische beschrijvingen. Zijn bekendste werk was The Ring and the Book. Browning is heel bekend om zijn passionele relatie met de populaire dichteres Elizabeth Barrett Browning, die ook zijn vrouw werd.
  • Lord Byron (1788-1824): een Brits dichter en een van de leidende figuren van de romantiek. De literaire figuur van de byronic hero, gekenmerkt door passie, talent en rebellie, doordringt Byrons werk en beïnvloedde het werk van latere romantische dichters. Van zijn verhalende gedichten zijn Childe Harold's Pilgrimage en Don Juan heel bekend.
  • Chaucer, Geoffrey (ca. 1343-1400): een Engels dichter die als een van de eersten in de volkstaal (het Middelengels) schreef, was een van de belangrijkste figuren uit de geschiedenis van de Engelse literatuur. The Canterbury Tales, waarin pelgrims elkaar om beurt verhalen vertellen tijdens hun bedevaart van Londen naar het graf van de heilige Thomas Becket in Canterbury, wordt als zijn meesterwerk beschouwd.
  • Chute of volta: Een betekeniswending in een (vaak poëtische) tekst. In een Italiaans sonnet bijvoorbeeld komt die wending vaak na het octaaf, dus nabij de 9e versregel.
  • Drama: synoniem voor toneelstuk. Wordt ook gebruikt in de meer beperkte betekenis van treurspel.
  • Edda: een aanduiding voor een verzameling literaire en mythologische werken uit het middeleeuwse IJsland, die zowel delen van de oude mythologische verhalen van Noordelijk Europa, als richtlijnen omtrent de poëtische overdracht ervan, bevatten. Er bestaan twee Edda's; de zogenaamde Poëtische Edda (ook wel Lied-Edda of Oude Edda) en de Proza-Edda (ook wel de Jongere Edda, geschreven door Snorri Sturluson). Er zijn meerdere speculaties over de titel. Het woord Edda betekent bijvoorbeeld overgrootmoeder in het Oudnoords. De Volsungssage, onderdeel van de IJslandse Edda, vertoont veel overeenkomst met die van het Nibelungenlied, zij het dat het verhaal in de eerstgenoemde versie zich afspeelt tegen het decor van de Germaanse godenwereld, terwijl de hoofdpersonen in het Nibelungenlied het christendom zouden zijn toegedaan.
  • Ellips: Een stijlfiguur waarbij sommige woorden -vaak werkwoorden-gewoon weggelaten worden die de lezer er dan zelf moet bij bedenken. Voorbeeld: Oost west, thuis best.
  • Enjambement: Een term uit de poëzie die betrekking heeft op gedichten waarbij de versregel 'doorloopt' op de volgende regel. De zin eindigt dus niet aan het einde van elke regel.
  • Epigram of puntdicht: Een kort gedicht van twee of vier regels, vaak gebaseerd op een woordspeling en met een geestige inhoud.
  • Faction: Alle teksten die fictie met realiteit (uit het verleden of uit de actualiteit) vermengen. Er treden bijvoorbeeld historische figuren in op in een verder fictief verhaal (zie ook postmodernisme).
  • Flashback: Het tijdens het vertellen van het verhaal terugblikken op een moment dat vanuit het oogpunt van het verhaal zelf gezien in het verleden ligt. De chronologische verhaallijn wordt hiermee dus onderbroken.
  • Flashforward: Het tegenovergestelde van een flashback; het tijdens het vertellen van het verhaal anticiperen op een moment dat vanuit het oogpunt van het verhaal weliswaar in de toekomst ligt, maar waarvan de auctoriële verteller op de hoogte is.
  • Focalisatie: Het verhaal wordt gepresenteerd vanuit het oogpunt van een bepaalde persoon. Nauw verwant aan het vertelperspectief.
  • Focalisator: De figuur in het verhaal van waaruit de focalisatie plaatsvindt.
  • Hyperbool: stijlfiguur waarbij overdrijving wordt gebruikt. Voorbeeld: Ik heb het al tienduizend keer gezegd!
  • Ik-verteller: verteller die zelf middenin het verhaal zit en niet meer weet dan hij als deelnemend personage kan waarnemen. Het tegenovergestelde is de auctoriële verteller.
  • Imitatio: Voorschrift vanuit een oudere (literatuur)opvatting dat het nabootsen van voorgangers de eigen kunst ontwikkelt. Zie ook Aemulatio.
  • Intertekstualiteit: hiermee wordt de 'verbinding' door overeenkomst tussen verschillende bestaande teksten gegeven. Meestal doet de auteur dit met opzet, omdat hij weet dat de lezer de voorgaande tekst wel zal kennen. Met name in literatuur uit de periode van het postmodernisme wordt dit procédé op grote schaal toegepast. Behalve in literatuur wordt het ook bij andere teksten gebruikt om te onderzoeken welke thema's ze bijvoorbeeld gemeen hebben of op welke gemeenschappelijke bronnen ze steunen.
  • Metafoor: Stijlfiguur waarbij betekenisoverdracht plaatsvindt, bijvoorbeeld door een begrip te vervangen door een beeld. Voorbeeld: een boom van een vent. De primaire bedoeling hiervan is het op een pakkende manier overbrengen van de boodschap. Een metafoor kan allerlei uiteenlopende vormen aannemen. Het kan bijv. een enkele zin zijn, maar ook een bepaald voorwerp (zoals de boerderij in George Orwells Animal Farm) of een heel verhaal op zich.
  • Metrisch vers: Een tekst met een metrum.
  • Metrum of versmaat: Een regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen in een poëtische tekst. Zie ook antimetrie.
  • Mimesis: Een nabootsing van de werkelijkheid in een kunstwerk, waarbij de nadruk wordt gelegd op de universele aspecten.
  • Montaigne, Michel de (1533-1592): 16e-eeuwse Franse filosoof en essayist. Aan zijn belangrijkste werk, de Essais, werkte hij vanaf 1572 tot aan zijn dood in 1592.

  Zie ook het wikibook over Michel de Montaigne.

  • Mysteriespel: Een van de vroegste vormen van toneelspel in middeleeuws Europa. Het heeft een godsdienstige inhoud en handelt over de geboor­te, het lij­den en de ver­rij­ze­nis van Chris­tus. Eraan verwant is het mirakelspel, waarin over een mi­ra­cu­leu­ze ge­beur­te­nis wordt verteld.
  • Naturalisme: Literaire stroming die van ca. 1880 tot 1940 bloeide en een uitloper was van het realisme. Behalve dat de fictieve karakters en gebeurtenissen zo realistisch mogelijk worden weergegeven wordt het naturalisme erdoor gekenmerkt dat de karakters, hun onderliggende motieven en de manier waarop ze door hun omgeving worden beïnvloed in de loop van het verhaal op wetenschappelijke wijze worden geanalyseerd.
  • Nevelingenlied: een Dietse versie van het Nibelungenlied.
  • Nibelungenlied: een Middelhoogduits heldenepos uit de dertiende eeuw, bestaande uit ongeveer 2300 strofen, waarin de ondergang van het huis der Bourgondiërs wordt beschreven. Het is de belangrijkste Middelhoogduitse vorm van de Nibelungensage. Grote fragmenten van het lied komen – meestal flink aangedikt – ook voor in andere middeleeuwse werken, zoals in de Edda, waar ook de verdere geschiedenis van Kriemhilt wordt verhaald. Het Nibelungenlied is door velen bewerkt, de bekendste vorm is wellicht de 4-delige operacyclus Der Ring des Nibelungen van Richard Wagner. Verder liet J.R.R. Tolkien zich voor een groot deel inspireren door dit verhaal bij het schrijven van In de Ban van de Ring. De Volsungssage, onderdeel van de IJslandse Edda, vertoont veel overeenkomst met die van het Nibelungenlied, zij het dat het verhaal in de eerstgenoemde versie zich afspeelt tegen het decor van de Germaanse godenwereld, terwijl de hoofdpersonen in het Nibelungenlied het christendom zouden zijn toegedaan.
  • Nibelungensagen: Germaans complex van sagen waarvan het middeleeuwse Duitse epos Nibelungenliedde de bekendste vertegenwoordiger is. Worms wordt ook wel "Nibelungenstadt genoemd, met het Nibelungenmuseum en de Nibelungenbrücke (met Nibelungenturm).
  • Othello, de moor van Venetië: een tragedie van William Shakespeare uit ca. 1603 waarin de eervolle generaal Othello het slachoffer wordt van de psychologische manipulaties van Jago, een van de grootste schurken uit de wereldliteratuur. Jago plant in Othello's hoofd het denkbeeld dat zijn echtgenote Desdemona hem ontrouw is. De grote man zal aan zijn ingebeelde jaloezie ("the green eyed monster") ten onder gaan.
  • Oude Edda: zie Poëtische Edda.
  • Paradox - Ogenschijnlijke tegenspraak, die bijv. de vorm kan hebben van twee beweringen – al dan niet in dezelfde zin – die elkaar lijken tegen te spreken (Zelfs als ik lieg, spreek ik de waarheid).
  • Pars pro toto - Een stijlfiguur uit de retoriek, die zoiets betekent als 'het deel staat voor het geheel'. Voorbeeld: 'Blauwoogje kwam me tegemoet' als je dit over een meisje met blauwe ogen zegt.
  • Poëtische Edda ook wel Lied-Edda of Oude Edda genoemd - zie ook Edda en Proza-Edda.
  • Poëzie - Tekstvorm waarbij de schrijver de regellengte niet laat afhangen van de breedte van het papier. Een poëtisch werk is vaak maar niet altijd ook op rijm geschreven. Tegenwoordig zijn poëtische werken vrijwel uitsluitend gedichten, maar vóór de uitvinding van de boekdrukkunst hadden romans heel vaak ook een poëtische vorm.
  • Postmodernisme - Kunststroming die zich vanaf de jaren 60 van de 20e eeuw met name in Europa en de Verenigde Staten op allerlei vlakken manifesteerde als tegenreactie op het realisme en modernisme. Postmoderne literatuur wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door enerzijds intertekstualiteit en metafictie en anderzijds het ontbreken van narrativiteit en het mengen van fictie en non-fictie.
  • Protagonist - Figuur waar het hele verhaal om draait. De term wordt behalve in de literatuur ook veel gebruikt in de dramatiek. Zie ook Antagonist.
  • Proza - Tekstvorm waarbij de regellengte uitsluitend wordt bepaald door de breedte van het papier (de bladspiegel), in tegenstelling tot poëzie.
  • Proza-Edda - ook wel de Jongere Edda genoemd. De Proza-Edda is geschreven door Snorri Sturluson, zie ook Edda en Poëtische Edda.
  • Realisme: Stroming in de beeldende kunst en literatuur die vanaf het midden van de 19e eeuw vanuit Frankrijk opkwam en ernaar streefde de werkelijkheid zo realistisch mogelijk weer te geven. Het realisme was een rechtstreekse tegenreactie op de literaire Romantiek en werd verder uitgewerkt het naturalisme.
  • Receptie: Term uit de communicatie- en literatuurwetenschap; de wijze waarop een tekst of andere kunstzinnige creatie door de lezer, toehoorder of kijker wordt ontvangen
  • Retoriek:
  • Roman: Fictief verhaal, meestal in proza geschreven en met een zekere mate van realisme. De moderne roman bloeide vanaf de 18e eeuw en valt uiteen in allerlei subgenres. Een belangrijke voorloper in de Middeleeuwen was de ridderroman.
  • Romantiek: Kunst- en filosofische stroming die een tegenreactie was op de verlichting en het grootste deel van de 19e eeuw kenmerkte. Ter aanduiding van het betreffende tijdperk is de schrijfwijze met een hoofdletter. Op het literaire vlak werd de romantiek vooral gekenmerkt door escapisme, het willen ontvluchten van de alledaagse werkelijkheid, door terug te gaan naar het verleden of het bovennatuurlijke te beschreven. Ook de religieuze poëzie maakte tijdens de Romantiek een opleving door. Belangrijke genres die in deze periode bloeiden waren de historische roman en de griezelroman, beide voortgekomen uit de 18e-eeuwse gothic novel.
  • Shakespeare, William (1564-1616): Engels dichter, acteur en toneelschrijver die tot op heden sterk tot de verbeelding spreekt. Hij is de auteur van minstens 37 toneelstukken en 154 sonnetten.
  • Sonnet - dichtvorm, ontstaan in Italië. Zie Sonnetvorm
  • Verlichting: Progressieve stroming die zich in de 18e eeuw op allerlei manieren ook in de kunst uitte. De literatuur uit deze periode wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door de opkomst van de moderne roman, met als belangrijkste subgenres de utopische roman en het imaginaire reisverhaal.
  • Verteller: degene die het verhaal vertelt. Dit kan een onzichtbare, boven het verhaal staande en vaak ook alwetende figuur zijn, maar ook iemand die zelf in het verhaal meespeelt. Zie verder Vertelperspectief.
  • Vertelperspectief (of vertelinstantie): Het perspectief van waaruit het verhaal wordt verteld. Hiermee wordt in grote lijnen bedoeld dat de verteller al dan niet alwetend is. Zie verder auctoriële verteller en ik-verteller.

Zie ook

bewerken
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.