Nederlandse literatuur in de middeleeuwen/Klassieke ridderromans

Nederlandse literatuur in de middeleeuwen

De benaming 'klassieke ridderroman' is een verwijzing naar de klassieke oudheid. Voor interesse in de oudheid moeten we inderdaad niet wachten tot de renaissance. Ook middeleeuwers kenden teksten van bijvoorbeeld Aristoteles, Vergilius en Ovidius. De verhalen, sagen en fabels over de oudheid werden in de vorm van Latijnse manuscripten in kloosterbibliotheken bewaard, vooral ten behoeve van het onderwijs.

Illustratie uit Hendrik van Veldekes 'Eneas' (1215) met ridders in een tweegevecht te paard.

De oorspronkelijk klassieke verhalen worden in de Middelnederlandse klassieke ridderromans vrij getrouw naverteld, maar de omgeving is veranderd in een voor tijdgenoten vertrouwd middeleeuws decor. De klassieke personages worden getransformeerd tot middeleeuwse ridders en de krijgshaftige gevechten worden riddertoernooien. Vooral de verhalen over Alexander de Grote en de helden van Troje genoten veel belangstelling.

Een bekend voorbeeld van zo'n klassieke ridderroman is de Eneas van Hendrik van Veldeke over de Trojaanse held Eneas. De hindernisrijke ontstaansgeschiedenis van dit boek is al in een vorig hoofdstuk aan bod gekomen. Toen in 1174 ongeveer 4/5 van het werk gereed was, werd het manuscript van Van Veldeke op een bruiloft in Kleef gestolen. Het duurde 10 jaar voor het weer opdook, zodat het pas tussen 1184 en 1190 in Thüringen werd voltooid. Van Veldeke kende het verhaal uit Vergilius' Aeneis en schreef met zijn versie de eerste klassieke ridderroman uit de Nederlandse literatuur. Het werd geen slaafse vertaling, maar een creatieve bewerking, waarbij hij het liefdesverhaal met meer dan de helft uitbreidde. Daardoor groeide zijn Eneas uit tot een werk met een eigen identiteit. Het meest markante onderscheid met zijn beroemde voorganger was de nadruk op hoofse liefde en sentimentaliteit. Daarbij ging de auteur zo ver om wat te ruw bevonden passages uit het klassieke verhaal 'beschaafder' te maken zodat ze beter beantwoordden aan het hoofse ideaal.

Ook in de korte Trojeroman van Segher Diengotgaf speelt hoofse liefde en ridderlijke dapperheid een centrale rol. Van bijzonder hoog literair niveau is diens mooie gedicht Het Prieel van Troyen dat zich afspeelt tijdens het derde jaar van de belegering van Troje. Er is een wapenstilstand gesloten tussen de belegerende Grieken en de Trojanen. Het is een mooie lentedag en de Trojaanse edelen houden na een krijgsraad een feest. De vogeltjes zingen opgewekt hun lied. Onder het lover en de bloesems ontspinnen zich hoofse gesprekken over liefde en worden ook liefdesverklaringen afgelegd.

"Doe stonden bloemen int scone dal
Ende men hoerde die voeghele al
Singhen blide ende vroilike.
Die woude waren loves rike;
Elke natuerlike vrucht
Temperden scone onder die lucht."

Drie verliefde paren spelen hierin een hoofdrol: Polidamas en Helena, Mennoen en Polyxena, en Menfloers en Andromache. Er wordt gebeefd, gebloosd en gezucht. De gesprekken verlopen aarzelend, aftastend, verzoekend, fluisterend, smekend om een blijk van liefde. Maar nergens wordt het banaal emotioneel, vooral dankzij de geestigheid en de subtiliteit van de auteur.

Ook Jacob Van Maerlant, aan wie we een apart hoofdstuk wijden, schreef werken in dit genre, zoals De Historie van Troyen (ca. 1263), een verwerking van de Roman de Troie van Benoît de Sainte-Maure. die Segher Diergotgaf voordien had geïnspireerd.

Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.