Sociale geschiedenis van Europa 1500-1795/Van geestelijke verwantschap naar gezelligheid

Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Leven in de absolute monarchie
  3. Rechtspraak
  4. (Contra)reformatie
  5. Alfabetisering
    1. Bijlagen bij Alfabetisering
  6. Wellevendheid
  7. Tafelmanieren, keuken en goede smaak
  8. Gezin
  9. Het kind
  10. Adolescentie
  11. Ontsnappen aan de familietucht
  12. Van geestelijke verwantschap naar gezelligheid
  13. Sociale controle
  14. Charivari's in de Nederlanden
  15. Jeugdbendes
  16. Boerderijen
  17. Familie en erfrecht op het platteland
  18. Parijs
  19. Goede naam en lettres de cachet
  20. Intimiteit: plaatsen en voorwerpen
  21. Liefde en vriendschap
  22. Decadentie
  23. Revolutie

12. Van geestelijke verwantschap naar gezelligheid

Inleiding

bewerken

In de Middeleeuwen streefde elk gezin ernaar om zo veel mogelijk banden met andere gezinnen te hebben. Dat konden familiebanden zijn maar ook banden van "geestelijke verwantschap". In de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw trok het gezin zich meer en meer op zichzelf terug en werden deze banden vervangen door de gezelligheid van de verenigingen.

Geestelijke verwantschap

bewerken

Deze geestelijke verwantschap was weliswaar geen verwantschap tussen echte familieleden maar werd door velen wel als gelijkwaardig daaraan gezien.

Adoptie

bewerken

Adoptie was uit het Franse recht verdwenen, het was zelfs door de kerk verboden om kinderen te adopteren. Pas tijdens de Revolutie werd het toegestaan dat een wees een voogd kreeg.

Ondanks dit verbod vertrouwde men in de zeventiende en achttiende eeuw vaak een kind toe aan een familielid van de ouders, of die ouders nu nog leefden of niet. En bij de aristocratie namen vrienden van de ouders vaak de kinderen onder hun hoede nadat die ouders overleden waren.

Bloedbroederschap

bewerken

Bloedbroederschap sloot men door samen iets van elkaars bloed te drinken. Men voelde zich daardoor met elkaar verbonden. Deze gewoonte kennen we uit Germaanse, Scandinavische of Ierse vroegmiddeleeuwse legendes en deze gewoonte werd ook in de ridderromans genoemd. Op een paar sporen na (in de westelijke Schotse Hooglanden) was deze gewoonte in de zeventiende eeuw in West-Europa verdwenen. Tegen 1900 zou dit gebruik nog blijken te bestaan in de Balkan: Bulgarije, Albanië, Servië en Montenegro. Als mannen daar bloedbroederschap hadden gesloten, voelden ze zich dermate met elkaar verwant dat ze hun bezittingen en zelfs hun vrouwen met elkaar deelden.

Vendetta

bewerken

De vendetta (bloedwraak) was in de dertiende en veertiende eeuw nog toegestaan en zelfs soms verplicht.[1] Hoewel de staat in de veertiende eeuw langzamerhand sterker werd en steeds meer het geweldsmonopolie opeiste, hield de vendetta toch nog lang stand. Mensen die elkaar tijdens een vendetta hielpen, voelden zich ook aan elkaar verwant.

Peetouderschap

bewerken

Door peter of meter.[2] te worden, werden de familie van het kind en de familie van de peter en meter aan elkaar verwant. Dit werd zo letterlijk genomen dat zelfs bepaalde huwelijken (tot en met de vierde graad) tussen de familie van het kind en de familie van de peter en meter verboden waren[3][4] Dit gebruik gold in vrijwel heel Europa en hield lang stand. Luther was de eerste die het af wilde schaffen. Tijdens het (contrareformatorische) concilie van Trente (1545-1563) werd deze (geestelijke) verwantschap, waarbinnen men niet trouwen mocht, beperkt tot alleen de ouders, het kind en de peters en meters.

De Duitse vorsten tot Jozef II wilden niet meer dat je bij de geboorte van een kind een flink aantal peters en meters overal vandaan mocht halen en dat ze van elke rang en stand mochten zijn.

In Albanië troffen de Jezuïeten in 1890 streken aan waar deze vorm van geestverwantschap nog in een extreme vorm heerste. Geen enkel familielid van het kind mocht met een familielid van de peter en de meter trouwen, hoeveel graden zij ook van elkaar verwijderd waren. De Jezuïeten noemden dit "onechte verwantschappen" en ze zagen wel dat de Albanese bevolking daar veel meer waarde aan hechtte dan de kerk lief was.

Peters en meters en hun familie werden dus beschouwd als familie van het kind en zijn ouders, net als huwelijksgetuigen. Men vertrouwde deze mensen alsof ze echte familieleden waren. Ze werden er ook bijgehaald als er een vendetta was. Een peter was oorspronkelijk bedoeld als religieuze opvoeder, maar die rol werd steeds minder belangrijk en hij werd langzamerhand iemand die het kind moest beschermen en af en toe geld geven.

Harenknippen

bewerken

Als het kind een zekere leeftijd had bereikt, werden voor het eerst zijn haren geknipt door een vriend van de familie of door iemand met wie men vriendschap wilde sluiten. Ook deze "harenknipper" werd als een verwant beschouwd.

Verenigingen

bewerken

Het gebruik om zo veel mogelijk familiebanden met andere gezinnen aan te knopen, begon al in de vijftiende eeuw af te zwakken. In de zeventiende eeuw waren bloedbroederschap en de vendetta al grotendeels verdwenen. De rol van peter en meter veranderde. De wijdvertakte en onderling solidaire familie met daarbovenop nog eens de geestelijke verwanten, kromp ineen tot het kerngezin van alleen de ouders en hun kinderen. Zowel de kerk als de staat steunden deze ontwikkeling.

Voor die verloren gegane familiebanden kwamen de verenigingen in de plaats:

Broederschappen

bewerken

Broederschappen vulden als eersten het gat dat de krimpende verwantschap had nagelaten. In de zeventiende en achttiende eeuw werden ze opgericht in de parochies. Dit waren ofwel verenigingen van vrienden en buurtgenoten, ofwel verenigingen van mensen met hetzelfde beroep. Deze mensen sloten zich vrijwillig aan bij zo'n broederschap om samen vroom te zijn. Vrouwen en kinderen mochten geen lid worden.

Al in de Middeleeuwen hadden mensen met eenzelfde beroep zich verenigd in gilden[5] die in theorie de mogelijkheid boden om via de weg van leerling en gezel op te klimmen tot meester. Maar in de praktijk waren de gilden dermate bang dat er teveel meesters in de stad zouden komen (die dan niet meer genoeg zouden verdienen) dat ze het haast onmogelijk maakten om anders dan door erfopvolging meester te worden. Je kon als gezel net zoveel kunnen als een meester, je bleef in een ondergeschikte positie. Vrouwen mochten geen lid worden van een gilde.

Gezellenverenigingen

bewerken

Gezellen leefden doorgaans niet meer bij hun eigen familie, maar ze waren niet in staat om zelf een gezin te stichten. In het beste geval woonden ze in bij hun meester, die hun ook te eten gaf en een vaderlijk gezag over hen uitoefende.

De gezellen moesten dus rond 1550 een soort surrogaatfamilie bedenken waarin zij niet de mindere waren van hun meesters: dit waren de gezellenverenigingen. Het waren beroepsverenigingen die men zou kunnen zien als de voorlopers van de hedendaagse vakbonden. Men kon zich hier vrijwillig bij aansluiten. Broederlijkheid, gelijkheid en vriendschap waren de centrale begrippen. Maar die mooie woorden veranderden niets aan de bestaande hiërarchie tussen meester en gezel. Vrouwen mochten geen lid van een gezellenvereniging worden.

Vrijmetselaarsloges

bewerken

De vrijmetselarij was een vereniging waarvan je vrijwillig lid kon worden. Deze verenigingen stonden niet onder staatstoezicht en hun bijeenkomsten waren dus echt privé. Rond 1750 nam het aantal loges toe.

Vrijmetselaars hadden geen ander doel dan een geloof en een moraal. De leden konden de loges ook niet gebruiken voor het verwezenlijken van hun persoonlijke belangen. Daarom liet de anders zo strenge Franse monarchie hen ook met rust: ze wilden de loges noch verbieden noch inkapselen, zolang ze maar niet aan politiek gingen doen. Het gezin en de dorpsraad of stadsraad stonden onder veel strenger toezicht van de staat want zij hadden concrete en materiële doeleinden.

De broederschap, de gezellenvereniging en de vrijmetselaarsloge zeiden allemaal dat ze naar sociale gelijkheid streefden. Als iemand een bepaalde rang binnen hun hiërarchie had, of als hij promotie maakte, zou dat alleen maar komen door zijn persoonlijke toewijding en talent.

In de loges troffen vrijgezellen en gehuwden elkaar, officieren, handelaren en zelfs kerkdienaren die streefden naar onderlinge vriendschap. Zij verenigden zich rondom een wetenschappelijk, intellectueel of religieus doel en later ging men toch ook aan politiek doen. En soms ging het alleen maar om praten en gezelligheid. Vrouwen en kinderen mochten niet meedoen maar later kwamen er aparte vrouwenloges, dat had men liever dan gemengde loges.

Jongerenverenigingen

bewerken

Zie ook: Sociale controle

Al vanaf de twaalfde en dertiende eeuw bestonden er in bijna elke dorp en in bijna elke stadswijk jongerenverenigingen. Alle jongens waren min of meer verplicht daar tussen de puberteit en het huwelijk bij te zijn. Deze jongerenverenigingen hadden vier bezigheden:

  1. Zedenpolitie spelen: overspelige mannen en vrouwen werden door hen bespot en bestraft, ze kregen een charivari. Net zoals weduwen en weduwnaars die hertrouwden met een ongehuwde partner, of met een veel jongere of oudere partner, of met een partner die van een te ver afgelegen dorp kwam. Ook mannen die zich door hun vrouw lieten slaan, kregen een charivari. Verder nog vrouwen die ofwel te afstandelijk ofwel te vrij waren.
  2. Het waren vechtersbazen die een rol tussen de jeugdbende en de politie in speelden. In de zeventiende eeuw bijvoorbeeld liepen er in Brabant hordes troepen rond. In 1695 richtten in Nijvel dronken soldaten hun geweren op burgers waarop de bevolking snel "die van de jeugd" ging roepen. Die arresteerden twee van de soldaten. Later gingen de gemeentelijke en rijksoverheden zelf goed bewapende politiekorpsen betalen en hadden ze geen behoefte meer aan jongerengroepen die hen te hulp schoten als het er hard aan toeging.
  3. In de achttiende eeuw gingen de jongerenverenigingen steeds meer profane feesten organiseren en die werden steeds populairder.
  4. Zij gebruikten de carnaval en andere volksfeesten om de politieke leiding te bespotten, maar dat werd vanaf de zestiende eeuw steeds moeilijker toen de overheid dit soort feesten steeds strenger in het gareel ging houden.

Soms bleven de jongens wel 10 jaar bij zo'n vereniging. Hun leeftijd, tussen puberteit en huwelijk, lag ongeveer tussen 15 tot 16 en 20 tot 25. Vooral de mannen gingen steeds later trouwen. Deze jongemannen hadden thuis en in de maatschappij nog niets te vertellen, ze hadden geen eigen gezin en geen bezit. Hun vaders waren absolute heersers in huis en die hadden liever dat hun zonen via de jongerenverenigingen voorbereid werden op de maatschappij dan dat ze zelf binnen hun gezin ook maar één millimeter toegaven. In deze jongerengroepen werden niet veel duurzame vriendschappen gesloten, daarvoor ging men te ruw met elkaar om.

Ook leerden de jongens in de jongerenvereniging wat hun seksuele rol was in de maatschappij.

  1. Zij pakten de weduwe die met een ongetrouwde man hertrouwde net zo hard aan als de weduwnaar die met een ongetrouwde vrouw hertrouwde. Dat was vreemd want de meeste handwerksgezellen trouwden heel graag met de weduwe van hun meester want dat was vrijwel de enige manier om meester te worden.
  2. Ze pakten zowel overspelige mannen als vrouwen aan. Dat was vreemd want van overspel door een man hadden de jongeren alleen maar last als die man dat met een ongetrouwd meisje pleegde. Dan verdween er namelijk een huwbaar meisje van de huwelijksmarkt. En van overspel door een vrouw hadden de jongeren helemaal geen last; het was misschien wel in hun voordeel als zij dat met een van hen pleegde.
  3. Ze bestraften echtparen waarbij de vrouw haar man sloeg. Misschien wilden ze de neiging van vrouwen om de baas te spelen in het huwelijk onderdrukken. Maar altijd werd ook de man bestraft want die had zijn mannelijke rol niet gespeeld.[6]

Tussen het einde van het bewind van Lodewijk XIV in 1715 en de instelling van de algehele dienstplicht[7] in 1793 kreeg de overheid het monopolie op geweld doordat zij goed bewapende politiekorpsen ging betalen. De jongerengroepen werden steeds minder getolereerd zowel door de wereldse als door de kerkelijke overheden, ze mochten in het beste geval alleen nog maar feesten organiseren. Het element van opvoeding en socialisatie dat veel jongens in deze groepen hadden ervaren werd overgenomen door (in volgorde): de beroepsopleiding, de college-internaten en de dienstplicht waar een strenge discipline heerste.

Taveernen, koffiehuizen, clubs en kringen

bewerken

In Engeland ontstonden al in de vijftiende eeuw clubs en er kwamen er steeds meer.

In de zeventiende en achttiende eeuw kwamen er in de steden van Frankrijk steeds meer publieke gelegenheden waar mensen elkaar konden treffen: taveernen, koffiehuizen en chocoladeschenkerijen. Daar ontstonden de van Engeland afgekeken clubs. De overheid probeerde vaak om dit soort verenigingen onder controle te krijgen of in te kapselen. Zo was er in 1629 een groep mensen rond Valentin Conrart en die vereniging werd door Richelieu omgevormd tot de Académie française die daardoor weliswaar meer middelen en invloed kreeg, maar ook onder toezicht van de staat kwam te staan en voor de doeleinden van de staat gebruikt kon worden. Colbert zou veel van dergelijke verenigingen tot meerdere eer en glorie van de koning gaan gebruiken. Zelfs gemeentelijke overheden probeerden om verenigingen onder hun toezicht te krijgen.

De salons van de zeventiende eeuw werden thuis bij een vooraanstaand lid gehouden. Er stond vaak een vrouw aan het hoofd en ze werden vaak door vrouwen bezocht. De clubs hielden hun bijeenkomsten aanvankelijk in een taveerne of een koffiehuis. Vrouwen werden niet toegelaten.

Vanaf 1800 hadden de clubs vaak een eigen lokaal. Men ging steeds meer politieke, wetenschappelijke en literaire discussies houden. Soms verdreven de rijksten er alleen maar hun tijd. Vaak werd er om geld gegokt. Deze verenigingen leken niet meer op de broederschap, het gilde of de gezellenvereniging want de geheimzinnigheid, de inwijding en het programma waren verdwenen. Het was niet langer verplicht om met de anderen vriendschap te sluiten, het was genoeg om met zijn allen dezelfde gedragscode aan te houden. De leden kozen nieuwe leden die in sociaal en cultureel opzicht op hetzelfde niveau stonden als zijzelf.

Zo gauw jongeren tot een club werden toegelaten of tot een taveerne, betekende dat dat ze een volwassen man waren geworden met hun eigen beslissingsbevoegdheid en hun eigen bron van inkomsten.

Na de Revolutie noemde men deze verenigingen "cercles" (kringen) om te benadrukken dat ze niet aan politiek deden. Ook de cercles waren niet toegankelijk voor vrouwen.

Man-vrouw relatie

bewerken

Laat in de achttiende eeuw kregen vrouwen hun eigen loges en clubs, maar altijd gescheiden van die van de mannen. Men gaf de vrouwen liever hun eigen loges en clubs dan deze gemengd te maken.

Er zijn verschillende rechtvaardigingen gegeven voor dit gedrag:

  1. Men wilde niet dat het tot seksuele contacten buiten het huwelijk kwam.
  2. Als vrouwen al werkten, dan niet in beroepen die zich in een gilde hadden georganiseerd.
  3. Vrouwen moesten eigenlijk thuis blijven en mochten tot geen enkele openbare gelegenheid worden toegelaten, want die waren voor mannen bestemd. Ze moesten totaal onderworpen zijn aan het gezag van de absolute vader.[8], hun echtgenoot, ze mochten eigenlijk het huis niet uit[9] Maar dat klopte niet helemaal, want bij de welgestelden hoefde de vrouw niet de hele dag thuis te sloven omdat ze veel personeel had. Ze had een relatieve bewegingsvrijheid en haar gedrag werd niet doorlopend in de gaten gehouden.

Conclusie

bewerken
 
Pelota, ca 1750

Zowel de clubs en de cercles als ook de college-internaten voor jongens en de kloosterpensionaten voor meisjes bevorderden dat mensen buiten hun gezin vrijwillig contacten legden waarin ze zich gelijkwaardig aan anderen voelden. In Engeland begon deze ontwikkeling al vanaf de zeventiende eeuw en in de rest van Europa vanaf de achttiende eeuw. Natuurlijk verdwenen de contacten binnen en rond het gezin niet meteen helemaal, zeker niet bij het grote deel van de bevolking dat op het platteland leefde, maar de gezelligheid van de verenigingen en clubs begon gaandeweg de geestelijke verwantschap te vervangen.

Gezinnen gingen steeds minder intensief met andere gezinnen om en steeds intensiever met de staat. De staat beschermde het gezin steeds meer en in ruil daarvoor moedigde de staat het gezin aan (of dwong het) om zich op zichzelf terug te trekken en al die banden en geestelijke verwantschappen met andere gezinnen door te snijden. Daarvoor in de plaats kwamen de langdurige, intieme, in vrijheid gekozen vriendschappen.

Geschiedenis van het persoonlijk leven. Van de renaissance tot de Verlichting.
Onder redactie van Philippe Ariès, Georges Duby en Roger Chartier.
ISBN: 90-5157-018-x
1986 Editions du Seuil, Paris
1989 Agon, Amsterdam
Betreffende hoofdstuk geschreven door: Maurice Aymard, directeur van de école des hautes études en sciences sociales

  1. Geweld jegens een persoon moest door een boete worden goedgemaakt: het 'weergeld'. Dit was bedoeld om te verhinderen dat er vetes zouden ontstaan. Geweld of moord moesten namelijk vergolden worden, omdat de familie van het slachtoffer anders als laf zou worden aangezien. Maar die vergelding moest ook weer gewroken worden. Zo konden eeuwenlange vetes ontstaan.
  2. Vrienden of buren konden peetoom of peettante van een pasgeboren kind worden. Daarmee werd deze 'peter' of 'meter' een verwant van de ouders. Een kinderrijk huis had een grote kring van deze peters en meters die zich op hun beurt ook weer met elkaar verbonden voelden. Zij hadden (ook als zij uit een maatschappelijk veel lager niveau kwamen) vrije toegang tot het huis.
  3. Zelfs huwelijken tussen de familie van het kind en de familie van de priester die het kind gedoopt had waren verboden.
  4. In 813 had de kerk huwelijken met nichten van de vierde graad verboden.
  5. Voor- en nadelen van de gilden.
  6. Misschien schepten sommige van deze mannen er zelfs wel een pervers genoegen in om geslagen te worden door een vrouw. Er waren nogal wat gravures in omloop die mannen lieten zien die afgeranseld werden door een vrouw. Rousseau beschreef hoe hij als jongetje van acht geregeld slaag kreeg van een dertigjarige vrouw en dat hij in die pijn en vernedering een sensualiteit ervoer die hem deed verlangen naar meer. Toen de vrouw dat merkte en ermee stopte, miste hij het. Nu was Rousseau wel iemand die álles hardop wilde kunnen zeggen (of schrijven).
  7. In 1793 werden 300.000 mannen opgeroepen om het vaderland te verdedigen tegen de buitenlandse vijanden van de Revolutie.
  8. De vader was de absolute baas in huis.
  9. Na haar huwelijk mocht de vrouw niet meer buitenshuis feestvieren, dansen en wandelen. Zij was als echtgenote en moeder veroordeeld tot het huis.
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.