Oudgrieks/Werkwoorden/Aoristus

--Inleiding--


--Basiscursus--

  1. Inleiding
  2. Een korte geschiedenis
  3. Blok 1
  4. Blok 2
  5. Blok 3
  6. Blok 4
  7. Blok 5
  8. Blok 6
  9. Samenvatting
  10. Afsluiting


--Taaloverzicht--

  1. Klankleer
    1. Alfabet
  2. Vormleer
    1. Lidwoorden
    2. Zelfstandige naamwoorden
    3. Adjectieven
    4. Bijvoeglijke naamwoorden
    5. Werkwoorden
      1. Indicatief | Praesens
      2. Conjunctief | Aoristus
      3. Optatief | Perfectum
      4. Imperatief | Plusquamperfectum
      5. Participium | Imperfectum
      6. Infinitief | Futurum
    6. Voornaamwoorden
    7. Bijwoorden
    8. Telwoorden
  3. Syntaxis
    1. De zin


--Woordenlijst--




De aoristus (ook wel aorist genoemd) is een tempus (werkwoordstijd) die enkel in het Grieks voorkomt. De aoristus geeft ongeveer weer dat iets zich éénmalig heeft voorgedaan in het verleden, terwijl de precieze duur van de beschreven gebeurtenis of handeling van minder belang is.

Om aan te geven dat iets vaker (dat wil zeggen, met enige regelmaat) gebeurd is in het verleden, gebruikt men een andere werkwoordstijd, het imperfectum.

We kunnen binnen de aoristus morfologisch twee hoofdsoorten onderscheiden: de sigmatische en de asigmatische aoristus.

Sigmatische aoristusBewerken

IndicatiefBewerken

De indicatief van de sigmatische aoristus wordt als volgt gevormd: ε + stam + σ + kenletter + uitgang.
De vervoeging van het werkwoord λύειν (losmaken) gaat dus als volgt:

ActiefBewerken

indicatief aorist actief
1ste enk. ἔλυσα Ik heb losgemaakt.
2de enk. ἔλυσας Jij hebt losgemaakt.
3de enk. ἔλυσε(ν)1 Hij/Zij/Het heeft losgemaakt.
1ste mv. ἔλυσαμεν Wij hebben losgemaakt.
2de mv. ἔλυσατε Jullie hebben losgemaakt.
3de mv. ἔλυσαν Zij hebben losgemaakt.

MediaalBewerken

indicatief aorist mediaal
1ste enk. ἔλυσαμην Ik heb losgemaakt.
2de enk. ἔλυσω Jij hebt losgemaakt.
3de enk. ἔλυσατo(ν) Hij/Zij/Het heeft losgemaakt.
1ste mv. ἔλυσαμεθa Wij hebben losgemaakt.
2de mv. ἔλυσαστε Jullie hebben losgemaakt.
3de mv. ἔλυσανto Zij hebben losgemaakt.

ConjunctiefBewerken

ActiefBewerken

conjunctief aorist actief
1ste enk. λύσω Ik zou het losgemaakt hebben.
2de enk. λύσῃς Jij zou het losgemaakt hebben
3de enk. λύσῃ Hij/Zij/Het zou het losgemaakt hebben
1ste mv. λύσωμεν Wij zouden het losgemaakt hebben.
2de mv. λύσητε Jullie zouden het losgemaakt hebben.
3de mv. λύσωσι(ν)1 Zij zouden het losgemaakt hebben.

ImperatiefBewerken

ActiefBewerken

imperatief aorist actief
3de enk. λυσoν Maak los!
3de mv. λυσατε Maakt los!

InfinitiefBewerken

De infinitief sigmatische aoristus wordt als volgt gemaakt. stam + σ + uitgang.

ActiefBewerken

De infinitief aoristus actief: λῦσαι

MediaalBewerken

De infinitief aoristus mediaal: λύσασθαι

PassiefBewerken

De infinitief aoristus passief: λυθῆναι


1 Als het volgende woord in de zin met een klinker begint komt er een ν achter. Dit noemt men de welluidendheids-ν.

Asigmatische aoristusBewerken

De asigmatische infinitief aoristus wordt als volgt gevormd: korte verbaalstam + uitgang van de 1ste klasse.
De asigmatische indicatief aoristus wordt als volgt gevormd: ε + korte verbaalstam + uitgang van het presens/imperfectum van λυειν, λυεσθαι .

IndicatiefBewerken

tabel met asigmatische aoristusindicatieven
Inf Pres (vertaling) Ind Aor
ἀγειν (voeren,brengen) ἠγαγον
ἀποθνῃσκειν (sterven) ἀπεθανον
βαλλειν (werpen) ἐβαλον
εὑρισκειν (vinden) ηὑρον
ἐχειν (hebben) ἐσχον
λαμβανειν (nemen) ἐλαβον
λανθάνειν (verborgen zijn) ἐλαθον
λειπειν (verlaten) λιπον
μανθανειν (leren) ἐμαθον
πασχειν (verdragen) παθον
πιπτειν (vallen) ἐπεσον
τυγχανειν (toevallig zijn) ἐτυχον
φευγειν (vluchten) ἐφυγον
αἰσθανεσθαι (bemerken) ῃστομην
γιγνεσθαι (worden) ἐγενομην
(ἐρεσθαι) (vragen) ἠρομην
ἀφικνεισθαι (aankomen) ἀφικομην
πυνθανεσθαι (navragen) ἐπυθομην
τρεπεσθαι (zich wenden) ἐτραπομην
ὑπισχνεισθαι (beloven) ὑπεσχνομην

InfinitiefBewerken

De asigmatische infinitief aorist wordt als volgt gemaakt. korte verbaalstam + uitgang van de 1ste klasse.

tabel met asigmatische aoristinfinitieven
Inf Pres (vertaling) Inf Aor
ἀγειν (voeren) αγαγειν
ἀποθνῃσκειν (sterven) ἀποθανειν
βαλλειν (werpen) βαλειν
εὑρισκειν (vinden) ἐυρειν
ἐχειν (hebben) σχειν
λαμβανειν (nemen) λαβειν
λανθανειν (verborgen zijn) λαθειν
λειπειν (verlaten) λιπειν
μανθανειν (leren) μαθειν
πασχειν (verdragen) παθειν
πιπτειν (vallen) πεσειν
τυγχανειν (toevallig zijn) τυχειν
φευγειν (vluchten) φυγειν
αἰσθανεσθαι (bemerken) αἰσθεσθαι
γιγνεσθαι (worden) γενεσθαι
(ἐρεσθαι) (vragen) ἐρεσθαι
ἀφικνεισθαι (aankomen) ἀφικεσθαι
πυνθανεσθαι (navragen) πυθεσθαι
τρεπεσθαι (zich wenden) τραπεσθαι
ὑπισχνεισθαι (beloven) ὑποσχεσθαι
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.