Heraclitus over de natuur/De fraaie ordening van het veranderende vuur

In dit hoofdstuk worden de hoofdpunten van Heraclitus’ fysica bijeengebracht. De fraaie kosmische ordening van het staatsbestel van goden en mensen, neemt de gedaante aan van een eeuwig levend vuur, waaruit alles ontstaat, waaruit het bestaat en waarin het vergaat. Dit vuur is niet door goden en mensen tot stand gebracht, maar leeft tot in alle eeuwigheid (57). De kosmische ordening wordt dus voorgesteld als een levend wezen (hylozoïsme). Het proces dat eruit bestaat dat alles uit vuur voortkomt en er weer tegen ingewisseld wordt, kan omschreven worden als een proces van ruilwisselingen (58), waarbij het vuur verandert in alle andere elementen, die op hun beurt weer veranderen in vuur. Dit proces is de kosmische kringloop (59). Zodoende zal alles uiteindelijk in vuur opgaan (60), terwijl niets aan het vernietigende oordeel ervan ontkomt (61). De verwoestende kracht van vuur treedt op als het verzadiging ervaart, de constructieve kracht bij gebrek (62). De elementen worden tegen elkaar ingewisseld, terwijl de geboorte van de een de dood van de ander is (63, 65 en 66). Deze dood treedt op als de levenskracht uitdooft (64). Dit alles wordt in de eerste plaats niet geleid door de wetten van de tijd, maar door een intelligente kracht (67). De ontwikkelingsgang in de kosmische ordening maakt voorts de weg op en neer uit, maar vormt tegelijk een eenheid (68), waarin de veranderingen plaatshebben (69). In deze kosmische kringloop vallen begin en eind samen (70). Aldus is er een eenheid van kosmische uitersten (71), die elkaar afwisselen binnen een groot kosmisch jaar (72 en 73). Al deze wisselingen zijn noodzakelijk (74a), omdat alles door te veranderen vitaal blijft (74b). Anders zou er immers vermoeidheid optreden (74c).

Heraclitus over de natuur

Fragmenten hierover

bewerken

57. De fraaie ordening hier, dezelfde voor gans alles, is noch door iemand der goden, noch door iemand der mensen gemaakt, maar was eeuwig en is en zal zijn: vuur, eeuwig levend, aangaand met mate en uitdovend met mate.

58. Vuur wordt geruild tegen alles, en tegen vuur alles tezamen, zoveel als tegen goud goederen en tegen goederen goud.

59. Wendingen van vuur: eerst zee, maar van zee de helft aarde, de helft echter gloeiende wervelwind. Zee stort zich uit en meet zich naar dezelfde verhouding, als er was voordat aarde ontstond.

60. Alles zal ooit vuur worden.

61. Want alles zal het vuur, het naar zich toetrekkend, oordelen en overmeesteren.

62. … gebrek en verzadiging (is het vuur).

63. Vuur zijn dood is lucht zijn geboorte, en lucht zijn dood is water zijn geboorte.

64. Vuur zijn dood is lucht zijn geboorte: ook vuur sterft, zoals de levenskracht uitdooft of door zichzelf uitblust.

65. Het leven van vuur is de dood van lucht en het leven van lucht is de dood van vuur, het leven van water is de dood van aarde, aarde dat van water.

66. De dood van aarde is de geboorte van water, de dood van water is de geboorte van lucht, de dood van lucht is de geboorte van vuur.

67. Volgens Heraclitus is ‘de fraaie ordening er niet volgens de tijd’, maar uit verstandigheid.

68. De weg op en neer is één en dezelfde.

69. Want de weg gaat opwaarts, neerwaarts; door te wenden en veranderen ontvlucht het.

70. Want begin en eind zijn verbonden op de omtrek van een cirkel.

71. En hetzelfde is: verkwikking onverkwikkelijkheid, besluitvaardigheid onbesluitvaardigheid, groot klein, opwaarts neerwaarts, rondgaan en wisseling.

72. … het jaar van de god.

73. Volgens Heraclitus bestaat het grote jaar uit tienduizend achthonderd zonnejaren, volgens Diogenes de Stoïcijn gaan daaruit ‘vijf, zestig en driehonderd jaren’, die volgens Heraclitus ‘zoveel waren als een jaar’.

74a. Ruilwisselingen zijn noodzakelijk.

74b. Het rust in verandering.

74c. Vermoeidheid is: voor hetzelfde zich inspannen en erdoor geregeerd worden.


Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.