Italiaanse renaissance/Verspreiding van de Italiaanse renaissance

Italiaanse renaissance

Verspreiding van de Italiaanse renaissance over Europa

bewerken
 
Johannes Vermeer: Het meisje met de parel (ca. 1665-1667), olieverf op doek, 46.5 x 40 cm. Mauritshuis
 
Jan van Eyck: Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw, 1434, olieverf op paneel.

Italië zou in Europa tot in de 17e eeuw toonaangevend blijven op artistiek gebied. Gestimuleerd door initiatieven van het Franse hof nam Frankrijk in de loop van deze eeuw echter deze rol over. De in 1648 opgerichte Koninklijke academie voor beeldhouw- en schilderkunst te Parijs overtrof in faam zelfs die van Florence (de Accademia delle Arti del Disegno), die in 1563 door Giorgio Vasari als eerste kunstacademie van Europa was opgericht. Ook de academie van Rome werd in belang en uitstraling door de Franse overvleugeld en het was vooral de Parijse kunstacademie die richtinggevend zou worden voor het academisch kunstonderwijs in Europa in de 17e en 18e eeuw.

De verbreiding van het erfgoed van de renaissance, met name van de beeldende kunsten, verliep langs drie wegen:

  1. via kunstenaars uit andere landen die naar Italië reisden om persoonlijk kennis te maken met de kunstwerken van Rafaël, Michelangelo en andere Italiaanse meesters.
  2. via patronaat van heersers uit andere landen die Italiaanse kunstenaars uitnodigden om aan hun hof te komen werken. Zo heeft Leonardo da Vinci enkele jaren aan het hof van de Franse koning Frans I gewerkt.
  3. doordat kunstenaars uit het noorden schilderijen en voornamelijk gedrukte prenten van Italiaanse kunstenaars onder ogen kregen.

In het bijzonder het lineaire perspectief en de precieze uitbeelding van de menselijke anatomie maakten veel indruk op kunstenaars buiten Italië. De landen die in contact kwamen met de Italiaanse renaissancecultuur assimileerden nooit klakkeloos de voorbeelden van de Italianen, maar ontwikkelden hun eigen 'nationale' varianten van bijvoorbeeld architectuur en schilderkunst. Zo ontstond in Frankrijk de School van Fontainebleau die zich weliswaar had geïnspireerd op Italiaanse voorbeelden, maar toch een heel eigen karakter kreeg.

Ook de kunstenaars en architecten uit de Lage Landen namen niet zomaar klakkeloos thema's en technieken van Italiaanse meesters over, maar gaven er een eigen invulling aan. De eerste Noord-Nederlandse academies werden tegen het einde van de 17e eeuw opgericht. De situatie voor kunstenaars in de Republiek der Nederlanden verschilde echter aanzienlijk van die van hun Italiaanse collega's. Nederlandse beeldende kunstenaars kregen nauwelijks opdrachten van het hof, wat niet lag aan de kwaliteit van deze schilders, maar aan het feit dat ze er de voorkeur aan gaven niet-klassieke onderwerpen uit te beelden. Het hof verleende de opdrachten dan ook vaak aan buitenlandse kunstenaars. Ook van de kant van de clerus konden Noord-Nederlandse kunstenaars weinig opdrachten verwachten, omdat het strenge calvinisme afbeeldingen in kerken en andere gebouwen verbood. De schilderkunst van de Gouden Eeuw kreeg hier dus een heel ander gezicht dan die van bijvoorbeeld Frankrijk. Men schilderde voornamelijk landschappen, portretten en stillevens voor welgestelde burgers. Het classicisme zou als reactie tegen het naturalisme tegen het einde van de 17e eeuw echter ook invloed krijgen in de Nederlanden. De kunst van de Vlaamse Primitieven (of "Vroeg-Nederlandse schilderkunst") - zie bijvoorbeeld Jan van Eyck - valt samen met de Italiaanse renaissance, maar wordt toch vaak als een aparte kunststroming beschouwd die sterker aanleunt tegen de middeleeuwse kunstopvattingen.

Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.