Latijn/Werkwoorden

Latijn Les 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 Het schrift · Uitspraak · Naamwoorden · Werkwoorden Woordenlijst

Net als het naamwoord vertoont het werkwoord in het Latijn een grote systematiek. In vergelijking met het Latijn is het paradigma van het Nederlandse werkwoord erg "saai". Kent het werkwoord lopen in het Nederlands slechts 9 vormen (lopen, loop, loopt, liep, liepen, gelopen, lopend, lopende, lopenden) zo kent het Latijnse werkwoord ambulare meer dan 100 verschillende vormen! En alsof het allemaal nog niet erg genoeg is zijn er vijf verschillende groepen werkwoorden, waardoor men zou kunnen vrezen dat er meer dan 500 vormen uit het hoofd geleerd moeten worden.

Maar hoe vreemd het ook klinken mag, de werkwoorden zijn misschien nog wel systematischer dan de naamwoorden en daardoor makkelijker te leren.

Aspecten van het Latijnse werkwoord

bewerken

In de volgende paragrafen geven we kort de verschillende aspecten aan die het werkwoord kan uitdrukken en volgens welke de specifieke vormen tot stand komen. Deze aspecten worden tevens gebruikt om een vorm te benoemen. Een paar voorbeelden:

vexavisti = jij hebt gekweld

Deze vorm wordt aangeduid met indicativus perfectum actief, tweede persoon enkelvoud. D.w.z. dat deze vorm de modus indicativus uitdrukt, de tijd perfectum (voltooid tegenwoordige tijd). Verder is het in de actieve vorm en heeft het de uitgang van de tweede persoon enkelvoud (jij). Deze benoeming kunnen we afkorten tot ind. perf. act. 2e p. ev.

Nog een paar voorbeelden:

festinaverimus = (op)dat we ons hebben gehaast
coniunctivus perfectum actief, eerste persoon meervoud (afkorting: con. perf. act. 1e p. mv)
audiretur = (op)dat hij werd gehoord
coniunctivus imperfectum passief, derde persoon enkelvoud (afkorting: con. imp. pas. 3e p. ev)

Om handigheid te krijgen in het vertalen van Latijnse teksten is het noodzakelijk dat men zich deze vorm van benoeming eigen maakt. Weten welke vorm men voor zich heeft, is essentiëel voor een goed begrip van de zin en dus voor de vertaling.


Conjugaties

bewerken

Laten we eerst eens naar de genoemde vijf groepen, of conjugaties kijken. Elk werkwoord behoort tot één er van. Het zijn:

  1. De A-conjugatie of 1e conjugatie: de stam van het werkwoord eindigt op een a. Voorbeelden zijn laudare "prijzen", ambulare "lopen" en dare "geven".
  2. De E-conjugatie of 2econjugatie: de stam van het werkwoord eindigt op een e. Voorbeelden zijn monere "waarschuwen", implere "vullen" en splendere "schitteren".
  3. De Consonant-conjugatie of 3econjugatie: de stammen van de werkwoorden uit deze conjugatie eindigen op een consonant of op een u. Het verschil is echter verloren gegaan. Voorbeelden: mittere "weg sturen", dicere "zeggen" en pingere "schilderen".
  4. De I-stammen of 4econjugatie: de stam van het werkwoord eindigt op een lange i. Voorbeelden: audire "horen", dormire "slapen" en servire "dienen".
  5. De capio groep of gemengde conjugatie. Een kleine groep werkwoorden, genoemd naar het werkwoord capere "nemen" die eindigen op een korte i, maar in bepaalde gevallen wordt deze een korte e (zoals voor de 'r' bijvoorbeeld).

Zie verder Laudare geconjugeerd.

Modus: Wijze

bewerken

De modus of wijze drukt het verschil uit tussen, bijvoorbeeld, een vaststaand feit of een wens of een bevel. Het bepaalt min of meer het karakter van de handeling die door het werkwoord wordt uitgedrukt.

Het Latijn kent net als het Nederlands vijf modi of wijzen:

  1. De indicativus of aantonende wijs. Deze modus geeft een vaststaand feit weer: ik spreek is een onbetwiste handeling.
  2. De coniunctivus of aanvoegende wijs. Deze modus drukt twijfel, onzekerheid of een wens uit: laat ik spreken wil nog niet zeggen dat ik zal spreken.
  3. De imperativus of gebiedende wijs. Deze modus geeft een bevel weer: Spreek!
  4. De infinitivus of onbepaalde wijs. Deze modus geeft eigenlijk niets weer, het is neutraal: spreken.
  5. Het participium of deelwoord. Hier heb je nog een onderverdeling:

a. Participium Praesentis Activum (PPA) of onvoltooid deelwoord

  • vb. -Het zingende meisje speelt.
  • vb. -Het meisje dat zingt speelt.
  • vb. -Terwijl het meisje zingt, speelt ze.


b. Participium Perfecti Passivum (PPP) of voltooid deelwoord

  • vb. -De afgebrande huizen zijn leeg.
  • vb. -De huizen die afgebrand zijn, staan leeg.
  • vb. -Nadat de huizen afgebrand zijn, staan ze leeg.

Numerus: Persoon en getal

bewerken

Het Latijn kent net als het Nederlands drie personen, zowel in het enkelvoud als het meervoud. Maar in tegenstelling tot het Nederlands kent het Latijnse werkwoord verschillende uitgangen voor elke combinatie van persoon en getal. Dit betekent dat het Latijn geen persoonlijk voornaamwoord nodig heeft om duidelijk te maken wie iets doet (dit geldt overigens nog steeds voor de direkte erfgenaam van het Latijn, het italiaans). Zo betekent ambulo "ik loop" en ambulatis "jullie lopen", ook zonder dat er in het Latijn een persoonlijk voornaamwoord staat.

Genus: actief en passief

bewerken

Tot slot kent het Latijnse werkwoord nog het verschijnsel genus, ofwel het onderscheid tussen actief en passief. Het genus zal iedere spreker van het Nederlands niet onbekend zijn:

  1. De leraar vermaant de leerling.
  2. De leerling wordt door de leraar vermaand.

In de eerste zin is de leraar het onderwerp van de zin en de leerling het lijdend voorwerp. Tevens is het onderwerp ook de uitvoerder van de handeling en daarom wordt de zin aktief genoemd. In de tweede zin echter, die exact dezelfde handeling uitdrukt, is het perspectief van de zin gewijzigd. Nu is de leerling het onderwerp van de zin geworden, hoewel hij nog steeds de handeling van het vermanen ondergaat. De weergave van de handeling heeft echter een subtiele wijziging ondergaan: wordt ... vermaand. Omdat het onderwerp van de zin nu de handeling ondergaat wordt de zin passief genoemd.

Het Nederlands geeft het passief weer door een speciale werkwoordsconstructie met worden. Het Latijn echter gebruikt een set van speciale uitgangen om het passief uit te drukken.

Tempora: Tijden

bewerken

Wat betreft de tijden of tempora kent het Latijn net als het Nederlands de onvoltooide tijden (de handeling is nog niet af) en de voltooide tijden (de handeling is af, d.w.z. voltooid). Deze worden respectievelijk met de Latijnse termen imperfecta en perfecta aangeduid. We onderscheiden in totaal 6 tijden:

De imperfecta:

  • presens of de (onvoltooid) tegenwoordige tijd: ambulo = ik loop
  • imperfectum of de (onvoltooid) verleden tijd: ambulabam = ik liep
  • futurum of de (onvoltooid) toekomende tijd: ambulabo = ik zal lopen

De perfecta:

  • perfectum of de voltooid tegenwoordige tijd: ambulavi = ik heb gelopen
  • plusquamperfectum of de voltooid verleden tijd: ambulaveram = ik had gelopen
  • futurum exactum of de voltooid toekomende tijd: ambulavero = ik zal gelopen hebben

De toekomende tijden worden nogal eens aangeduid met futurum I (voor futurum) en futurum II (voor het futurum exactum). Wij zullen met de termen futurum en futurum exactum werken.

Van het werkwoord afgeleide naamwoorden

bewerken

Van het Latijnse werkwoord kunnen een reeks verschillende naamwoorden worden afgeleid. Ook dit is een verschijnsel dat eveneens in het Nederlands voorkomt, zij het in mindere mate. Bijvoorbeeld:

lopen → lopend(e)
de lopende man

Hier wordt van het werkwoord lopen het bijvoegelijke naamwoord lopende gemaakt (strikt genomen is dit het tegenwoordige deelwoord dat als bijvoegelijk naamwoord gebruikt wordt).

Het Latijn kent de volgende van het werkwoord afgeleide naamwoorden:

  • De participia of deelwoorden
  • Het gerundium, een zelfstandig naamwoord
  • Het gerundivum, een bijvoegelijk naamwoord
  • Het supinum, eveneens een zelfstandig naamwoord


Stamvormen

bewerken

Om alle vormen van het werkwoord te kunnen maken, moet men behalve de diverse uitgangen voor de verschillende tijden, personen etc. ook nog eens drie vormen per werkwoord leren. Van deze drie vormen kunnen alle overige vormen afgeleid worden, aangezien ze de drie stamvormen van het werkwoord representeren. Voor de meeste werkwoorden kunnen deze drie stamvormen volgens bepaalde regels afgeleid worden, maar voor een betrekkelijke grote groep werkwoorden moeten ze uit het hoofd geleerd worden.

In woordenboeken en woordenlijsten worden meestal drie of vier vormen gegeven, waaruit dan alle overige vormen af te leiden zijn. Bij drie werkwoordsvormen wordt dan nog een indicatie van de juiste conjugatie meegegeven Bijvoorbeeld:

dicere, dixi, dictum, III waarbij III aangeeft dat het om de consonant conjugatie gaat. Of:
dico, dicere, dixi, dictum waarbij uit de combinatie van dico en dicere afgeleid kan worden dat het om de consonant conjugatie gaat

De stammen waarom het gaat zijn: dic-, dix- en dict-.

Nog een voorbeeld:

monere, monui, monitum, II waarbij II aangeeft dat het om de e-conjugatie gaat. Of:
moneo, monere, monui, monitum waarbij dan weer uit de combinatie van moneo en monere afgeleid kan worden dat het om de e-conjugatie gaat.

De stammen waarom het gaat zijn: mone-, monu- en monit-.

In deze grammatica zullen we met de eerste variant werken: amare, amavi, amatum, I.

De drie stamvormen hebben namen:

  • De praesensstam (dico of dicere, en moneo of monere uit de voorbeelden)
  • De perfectumstam (dixi en monui)
  • De supinumstam (dictum en monitum)


Latijn Les 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 Het schrift · Uitspraak · Naamwoorden · Werkwoorden Woordenlijst
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.