Nederlands/Grammatica/Werkwoorden/Kennen of kunnen

InleidingBewerken

LezenBewerken

SchrijvenBewerken

Spreken en luisterenBewerken

GrammaticaBewerken

SpellingBewerken

ToetsBewerken

FictieBewerken

Toetsenbank NederlandsBewerken

Centraal Schriftelijk EindexamenBewerken


Eerste hulp bij Nederlands
Eerste hulp bij Nederlands



KennenBewerken

Kennen heeft volgens het woordenboek de betekenis van onderscheiden, herkennen, vertrouwd/bekend zijn met en door studie of oefening geleerd hebben, beheersen. Het geeft dus iets aan wat je herkent of beheerst.

Kennen wordt altijd gevolgd door een lijdend voorwerp, dat aangeeft wát er herkend of beheerst wordt.

Voorbeelden
  • Zij kent haar les goed.
  • Ik ken haar wel, zij is het meisje dat haar les altijd goed kent.
  • Ik heb hem leren kennen toen ik mijn vakantie in Frankrijk doorbracht.

KunnenBewerken

Kunnen heeft de betekenis van in staat zijn (te) of mogelijk zijn (te).

Kunnen is een hulpwerkwoord en wordt daarom altijd gevolgd door een infinitief (of de zin kan zo herschreven worden dat dit alsnog het geval is).

Voorbeelden
  • Het kan vriezen en het kan dooien.
  • Dat kan worden geregeld.

DiscussieBewerken

Is het: "Ik kan Nederlands" of "Ik ken Nederlands"?

Ik ken Nederlands is in ieder geval goed; kennen heeft namelijk de betekenis door studie of oefening geleerd hebben.

Ik kan Nederlands wordt door veel taalgebruikers goedgerekend, terwijl anderen met deze vorm moeite hebben. Voor deze vorm is te zeggen dat er een infinitief kan worden toegevoegd aan de zin: Ik kan Nederlands spreken.

Problemen met deze zin kunnen worden omzeild door een andere constructie te gebruiken, bijvoorbeeld Ik spreek Nederlands.

Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.